About Stefan

Stefan is IT-journalist, redacteur en tekstschrijver. Hij studeerde Nederlandse Taal & Cultuur in Nijmegen, maar werkt inmiddels bij ZB Communicatie & Media in Ede. In zijn vrije tijd speelt hij gitaar, maakt, ontwerpt en onderhoudt hij websites. Dit is zijn Google +-profiel

19: Een stroom van muziek naar het hoofd

Op 27 februari 2012 keek Stefan toevallig op zijn Last.fm-profiel om te zien welke cd’s hij nu eigenlijk het vaakst had geluisterd sinds 22 september 2004 – de dag dat hij lid werd van de muziekstatistieksite. In de hoop nu eindelijk eens uit te leggen waarom de muziek in kwestie hem nu zo dierbaar is, loopt hij op ditisstefan.nl de top 25 langs.

19: Coldplay – A Rush Of Blood To The Head (2002)

Jaren geleden, toen ik bandjes als Turin Brakes, I Am Kloot en Kings of Convenience pas net had leren kennen, sprak een goede vriend nadat Coldplay was doorgebroken: “Misschien is er in Engeland wel een complete stroming van bandjes die dit soort muziek maakt.” Met “dit soort” bedoelde hij volgens mij “op melodie gerichte gitaar- en pianomuziek met vrijwel uitsluitend “echte” instrumenten waarop je niet kunt headbangen.”

Tien jaar later mogen we concluderen dat er inderdaad een heleboel bandjes zijn die dat soort muziek maken. Maar met de oren (en kennis) van nu luisteren naar de muziek van toen, is in dit geval moeilijker dan ooit. Hoewel Parachutes zich in de jaren ervoor (in Nederland) had ontwikkeld tot een sleeper hit zou met dit album de doorbraak pas echt komen. Ik heb wel eens beweerd dat het mooiste moment uit de Coldplay-discografie aan het begin zit… Opener Don’t Panic op debuut Parachutes is voor mij essentiële Coldplay-muziek. Toch staat Parachutes niet in mijn top 25, en A Rush Of Blood To The Head wel. Misschien omdat Coldplay me daarna gewoon niet meer zo hard wist te raken – en dat ik Parachutes pas veel later zou beluisteren…

A Rush of Blood To The Head begint zelfverzekerd, met de relatief harde opener Politik. Dat was even schrikken op Sinterklaasavond 2002, toen ik de cd van mijn ouders kreeg – met slechts The Scientist en In My Place als referentiepunt. Maar dan wel dat mooie einde Well give me love over, love over, love over this… En daarna volgen nog heel veel mooie nummers.

Voor mij is A Rush of Blood To The Head, door de bank genomen, een album over reageren. Gewoon reageren op een situatie zoals die zich voordoet. Misschien in een opwelling (gedurende a rush of blood to the head), misschien juist extreem doordacht, maar in ieder geval reageren omdat er altijd iets gebeurt – en daarna de consequenties daarvan accepteren. Dat vooral ook. In My Place, de lead single van het album (en track 2) is een reflecterend nummer (I was lost, oh yeah), waarbij derde track God Put A Smile Upon Your Face (een hoogtepunt op de cd) in ieder geval ook de realisatie bevat dat we allemaal twijfelen over onze positie en functie in deze wereld (Where do we go, nobody knows?).

Hierna volgen nog twee singles The Scientist - wat een mooi nummer blijft – en het altijd vals meezingbare Clocks. Door de enorme airplay die deze nummers de afgelopen jaren hebben gekregen, is het voor mij moeilijk om ze nog te zien als persoonlijke belevingen. Het zijn nog wel de nummers die ik ken, maar ze zijn veralgemeniseerd. Ze zitten in films, series, kookprogramma’s, radioshows, talentenjachten en in de wachtrij aan de telefoon. Er komt een moment dat deze nummers me opnieuw gaan veroveren, maar nu nog niet.

De tweede helft van de cd is in die zin ook interessanter, want iets onbekender. Daar staan namelijk minder singles op – al vergeet ik daarbij heus niet dat er miljoenen en miljoenen exemplaren van deze cd zijn verkocht. Drie nummers wil ik hier nog aanhalen.

Warning Sign - wat mij betreft de blueprint van een ouderwetse Coldplay-kraker. Wederom een nummer met een spijtgehalte – I’ve gotta tell you in my loudest tones, that I started looking for a warning sign when the truth this that I miss you. Om te eindigen met het extreem breekbare So I crawl back into your open arms. Dit nummer bereikt me vooral op de momenten dat ik terugkom van een lange reis, ‘s avonds laat… Vakanties, stedentrips of gewoon een hele lange dag onderweg. Daar gaat het nummer niet om, maar  voor mij heeft het door de jaren heen die functie gekregen. Het einde kan ik niet anders omschrijven dan soothing.

A Rush Of Blood To The Head dan, het titelnummer waarin alles samen komt: getting it done and over with, om het zo maar te zeggen. Het gaat niet om een schutter die denkt “nu ga ik een pistool kopen en een oorlog beginnen”, maar om “nu ga ik HET gewoon doen en als het fout gaat heb ik het in ieder geval gedaan.” Geen what ifs of maybe, maar gewoon a rush of blood to the head en gaan met die banaan – of het nu slim is of niet. Met de heerlijke Engelse uitdrukking Start as you mean to go on (begin ermee alsof je er al – succesvol – mee bezig bent) als conclusie.

So meet me by the bridge, meet me by the lane
When am I gonna see that pretty face again?
Meet me on the road, meet me where I said

Blame it all upon a rush of blood to the head

Ideale afsluiter van de plaat, zou je zeggen, ik hou sowieso wel van platen die eindigen met de titeltrack. Maar Coldplay plakt er nog een slotepos achteraan: Amsterdam, en dat spreekt mij als Nederlander natuurlijk aan. Een nummer dat Amsterdam heet! Dat ken ik! Dat is in Nederland! Jammer genoeg bleek het nummer niet over Amsterdam te gaan, maar was het slechts daar geschreven.

Eerdere afleveringen uit deze rubriek staan hier.

Over de planeten, volgens Sufjan, Bryce en Nico

Zaterdag 7 april was het zover. Het stond al bijna een jaar gepland. 7 april 2012 zou een eenmalige, speciale samenwerking tussen Sufjan Stevens (wie kent hem niet?), Bryce Dessner (The National) en de mij verder onbekende Nico Muhly. De drie heren worden aangevuld door het Navarra String Quartet en het Nederlandse New Trombone Collective – dat uit maarliefst zeven (7) trombones bestaat. Dat het een bijzondere avond in het muziekgebouw Frits Philips in Eindhoven wordt, staat dus buiten kijf. En heel high-brow. Dat is vanaf de eerste gespeelde noot duidelijk.

Een kleine wisseling in het programma – blijkt. We openen niet met de Diacritical Marks van Muhly, maar de Quintets van Dessner. Op de eerste (Blind Willy) na, is het best mooi. Die eerste is vooral vreemd. Dessner speelt op zijn gitaar mee met het strijkkwartet en doet dat niet onverdienstelijk. Het is allemaal ontzettend klassiek – hier geen Bloodbuzz Ohio.

Daarna gaan we door met de Diacritical Marks - waarbij het strijkkwartet gevieren helemaal los kan. Het is bij vlagen grillig, melodieus en zelfs euforisch. Het laatste nummer voor de pauze is van Stevens, mooi maar voorbij voordat je er erg in hebt. Jammer.

Uit alles wordt echter duidelijk dat na de pauze we pas echt los zullen gaan. De trombones hebben we nog niet gezien en er staan ongebruikte piano’s, keyboards en een drumstel klaar. En de olifant in de kamer: een gigantische zwarte bol. Je denkt nog “hangt ie er voor het geluid ofzo?”, maar als er na de pauze ineens animaties worden geprojecteerd is overduidelijk dat dit niet zo is. Ook visueel moet Planetarium, zoals de door Dessner, Muhly en Stevens gecomponeerde liedcyclus, indruk maken. Elf werken (Neptune, Jupiter, Uranus, Venus, Mars, The Sun, Pluto, Moon, Saturn, Earth en Mercury) in ruim drie kwartier tijd. Er wordt niet veel gekletst – alleen gegrapt over het feit dat Dessners gitaar altijd gestemd moet worden en dat Pluto tegenwoordig geen echte planeet meer is, maar een dwergplaneet, maar daar is de avond ook niet naar…

De liedcyclus is op zijn zachtst gezegd indrukwekkend. In het programma schrijft Dessner: Planetarium onderzoekt, in klank en onderwerp, de onderlinge afhankelijkheid van harmonie en disharmonie in het universum. Dat klinkt wellicht een beetje zweverig, maar de zeven trombones zetten je met beide benen op de grond. Ik zag de trombone altijd als een beetje lomp, maar geloof me: als je er zeven naast elkaar hoort, klinken één of zelfs twee trombones ineens verrassend subtiel. Opvallend is het gebruik van autotune: in eerste instantie werkt Sufjans computerstem me op de lachspieren, maar uiteindelijk wordt ook de verguisde autotune een logisch en zelfs passend onderdeel van de avond.

Enigszins gespannen lijkt Sufjan bij tijd en wijle, en gezien het feit dat de meeste stukken vanavond voor het eerst worden gespeeld, maar het lijkt allemaal foutloos te gaan. De opluchting dat het allemaal naar wens is gegaan en in ontvangst wordt genomen met een staande ovatie, is van de gezichten af te lezen. Planetarium is zonder twijfel het hoogtepunt van de avond.

Een encore zit er niet in… Want wat moet je hier nog aan toevoegen? En ook met deze bezetting? Sufjan nu solo een nummer laten spelen zou niet kloppen – de uniekheid van de avond zelfs teniet doen. Nee, dit was mooi als geheel. Het enige wat nog mist is een opname van het geheel. Al staat YouTube al vol met video’s, zou een professionele opname hiervan zeker niet misstaan. Planetarium heeft bij mij alle verwachtingen ingelost. Indrukwekkend.

Hier een video ter illustratie (niet door mij gemaakt):

De Kings of Convenience in ontkenningsfase


Al voor aanvang van het concert vertellen de heren dat ze vanavond toch echt geen “hits” zullen spelen – iets wat met schuchter gelach wordt ontvangen door het publiek, in de wereld van Kings of Convenience is de term “hits” namelijk nogal bewerkelijk. Bij een kleine inventarisatie “Who was here yesterday?” blijkt dat ik niet de enige ben die alleen op zondagavond naar de kleine zaal van de Paradiso is gekomen voor een intiem concert van de heren. Het idee van de Kings of Convenience was dat we allemaal op zaterdag zouden komen, en de die-hard fans op zondag. Dat idee was naïef om twee redenen:

1) De heren treden maar af en toe op, dus ontstaat er altijd een run op de kaarten als er maar 1200-1300 zijn. Zelfs met Pasen.
2) De heren zijn stiekem te groot voor de Paradiso (maar misschien nog net te klein voor de HMH, los van het feit dat die zaal minder cool is).

Het zal op een kwart van het concert zijn geweest, nadat de heren het zoveelste rustige nummer hebben gespeeld, dat de heren een relaas over populariteit beginnen. Dat ze eigenlijk heel veel van dit soort nummers hebben, maar dat ze die in de groten zalen niet goed kunnen spelen en dat ze dat best jammer vinden. Dat ze nog niet zo groot zijn als Jon Bon Jovi – die intieme concerten speelt in zalen van 5000 man – maar dat ze te populair zijn geworden voor de eigen muziek. Als je echter ziet dat de concerten binnen no-time waren uitverkocht, moeten we echter concluderen dat de heren in ieder geval de grootheden van het genre zijn en dat ze die 5000 man misschien in Nederland best hadden gehaald (maar dan misschien niet met Pasen). In deze huiskamersfeer is populariteit makkelijk te ontkennen.

Maar ik klaag niet hoor. Laat ze maar lekker geloven dat ze nog geen “great success” hebben, want ik krijg hier mooi de liedjes voorgeschoteld die ik al jaren luister. Als er wordt geopend met mijn favoriete Until You Understand en vervolgens een prachtige versie van Riot on an Empty Street wordt gespeeld, dan kun je mij wegdragen. En dan moet de rest van het concert nog beginnen!

Dat concert bestaat verder uit een mix van de rustige nummers van de laatste cd en wat ouder werk. Singing Softly To Me / The Girl From Back Then en Little Kids (toch een vast encorenummer de laatste jaren) zitten gewoon in de setlist en vereisen de nodige publieksparticipatie, wat toch anders voelt in zo’n kleine zaal. Alsof je jezelf wat beter hoort dan in een publiek van 1000 man. Maar naar een tijdje komen we er in. Het scheelt dat de heren in goede doen lijken. Niet te veel zorgen gemaakt van tevoren – zo blijkt de setlist veel te lang te zijn – en oprecht zin om alle “vergeten pareltjes” te spelen en af en toe wat vage improvisaties tussendoor te spelen – zelfs al gaat het fout. Zo kan Erlend zich een riff van het laatste album niet meer herinneren en speelt de band na een verzoekje uit het publiek een beschamend / lachwekkend slechte versie van Brave New World. Erlend kan zich met veel pijn en moeite de riff herinneren, maar voor zowel Erlend als Eirik moet de tekst van heel diep komen. Dat mag de pret niet drukken, de heren hebben dan al zoveel goodwil opgebouwd, dat het eigenlijk best leuk is dat ze even moeten worstelen. We zijn hier als intimi onder elkaar immers – de die-hard fans.

Vooraf grapte ik met goede vriend Sjoerd dat ze een van de dufste nummers uit hun oeuvre vast niet live zouden spelen. An English House - het nummer staat niet eens op YouTube – is een traag, slepend nummer, met net zo trage samenzang over een slecht-geïsoleerd huis in Engeland. Achteraf merkt Erlend op dat het nummer tijdens Pasen is geschreven. De gesprekken tussen de nummers worden langer naar mate de heren langer nodig hebben om de gitaar te stemmen – waar ze bij hun grote shows naar eigen zeggen geen tijd voor hebben. Het draagt bij aan de intieme sfeer. Dat de geluidsmix voor zo’n intiem concert schandalig lomp is uitversterkt, vergeef ik de heren. Dit is een mooie zondagavond, zeker als Gold For The Price of Silver en Winning A Battle, Losing The War (met rockeinde) nog langskomen. De reguliere set wordt afgesloten met het enige “nieuwe” (lees: uit 2008) nummer van de avond. Second Violin heeft het namelijk best in zich om de nieuwe I’d Rather Dance With You te worden: mooi verhalende tekst, humor, eenvoudige thematiek (Sick and tired of playing second violin, he gracefully steps off the train, pledging never to return to the city that never once applauded him) en Erlends mondtrompet krijgt alle ruimte om te schitteren.

Daarna keren de heren nog terug voor twee nummers, maar dan is de koek op. Omdat het nog vroeg is (het concert begon om 7 uur), heb ik er nog lang geen genoeg van, maar in de grote zaal begint straks een aanzienlijk harder concert. Is een Kings of Convenience concert compleet zonder Misread, I’d Rather Dance With You, Mrs Cold, Toxic Girl, Failure, I Don’t Know What I Can Save You From en Boat Behind? Misschien anno 2012 niet meer, maar dit was een welkom college in de rustige nummers van de heren, die toch verrassend dynamisch zijn.

De Kings komen altijd op de momenten dat ik ze nodig heb. De vorige keer was ik net op zoek naar mijn eerste baan, nu was ik op zoek naar muziek die me af toe laat stoppen met rennen en me laat luisteren. De Kings of Convenience hielpen me eraan herinneren dat ik dat soort muziek al tien jaar luister. Maar dat je dat soms even vergeet. En dan is het goed dat de twee Noorse koningen er zijn om je met beide benen op de grond te zetten. Ik kreeg gisteravond niet de indruk dat er voor 2031 een nieuw album is, maar hopelijk maken de heren voor die tijd wel nog eens een tour langs enkele Nederlandse podia. En dan mag dat best weer in huiskamersfeer, met een lach op het gezicht en two voices blended in perfection.

20: Zwartgallig, poëtisch en humorrijk

Op 27 februari 2012 keek Stefan toevallig op zijn Last.fm-profiel om te zien welke cd’s hij nu eigenlijk het vaakst had geluisterd sinds 22 september 2004 – de dag dat hij lid werd van de muziekstatistieksite. In de hoop nu eindelijk eens uit te leggen waarom de muziek in kwestie hem nu zo dierbaar is, loopt hij op ditisstefan.nl de top 25 langs.

20: I Am Kloot – Natural History (2001)

Natural history is the scientific research of plants or animals, leaning more towards observational rather than experimental methods of study, and encompasses more research published in magazines than in academic journals.

Of:

There’s blood on your legs I love you

Zomaar twee definities van Natural History. De ene komt van deze Wikipedia-pagina, de andere is de kern van de zaak, de zin die de iconische debuutplaat van I Am Kloot samenvat. Want vroeger, nog voordat I Am Kloot werd genomineerd voor de Mercury Prize (in 2010) voor Sky At Night (een door Elbow-geproduceerd album). Vóór een tijd lang worstelen op een eigen label. Vóórdat ze tekenden bij een label dat hun grootste potentiële hit nooit uit zou brengen… Vóórdat ze een titelloze plaat met zwarte cover en slechts in het wit de tekst “I Am Kloot” maakten. Voor dat alles… Toen al maakten dit trio het album wat hen zou definiëren. Natural History staat elf jaar na dato nog steeds als een huis. Eigenlijk is het een schande dat deze plaat op 20 staat en niet gewoon in de top 3.

John Bramwell draaide ook al wat jaartjes mee in de muziekwereld in Manchester en had zelfs een kort tweede leven als tv-presentator. In 1989 bracht hij als groentje genaamd Johnny Dangerously al een mini-album uit getiteld You, Me & The Alarm Clock - eind deze maand verschijnt de geremasterde versie op cd, waardoor de plaat een groter publiek bereikt dan ooit tevoren. Zijn jaren ’90 waren wild, voorzien van twisted romance, drank en banging your head against the wall, zoals hij het zelf omschrijft. Geen mooie tijd (al heeft het ook iets romantisch) en het maakte van de kleine songwriter een man die vol zwarte humor slapeloze nachten en mislukte romantiek schetst.

Dat had nog jaren onsuccesvol door kunnen gaan, in diverse matige bandjes, maar ergens eind jaren ’90, als het bandje The Mouth uit elkaar valt, ontmoet Bramwell Peter Jobson en Andy Hargreaves. En niet alleen dat: hij schrijft ook een aantal liedjes die beter zijn dan alles wat hij daarvoor heeft geschreven: Twist en To You, onder andere. Het klikt en de timing is goed: Natural History wordt (met hulp van de dan nog onbekende jongens van Elbow, net als tien jaar later op Sky At Night) in oude kerken en studio’s in Engeland opgenomen. De productie is net zo charmant als de teksten: de triobezetting maakt het mogelijk bij vlagen hard te spelen, maar altijd met ruimte voor de muziek om te “ademen”. Daardoor komen de “vage” teksten harder aan en krijgen bas en drum genoeg ruimte om te schitteren op de momenten dat dat nodig is. Van begin af aan zijn de heren dan ook steengoed live. De kleine clubs waar ze in optreden vormen de ideale lokatie om de band te zien. Het is het eerste popconcert waar ik naartoe ga, I Am Kloot, in Utrecht, en alle fantastische nummers van het eerste album worden gespeeld.

En waar ik vandaag de dag nog steeds niet bij kan, is dat Bramwell de zwartgalligste dingen zo romantisch kan laten klinken (we fuck and we fight, someone else does the dishes). Vanaf opener To You lopen thema’s als liefde, drank en dood door elkaar:

The gods and the saints preserve you,
Cos nobody here deserves you,
I’m living my life in flashback,
Since I lost my card or cashback,
And I’ve gone to wrack and ruin,
Since I don’t know what you’re doing,
There’s no clear or present danger
That I see in any stranger.
(…)
Won’t someone somewhere marry me
To You?

Het is heel makkelijk om cynisch te worden in dit leven. Iedereen heeft wel eens een periode dat het wat minder gaat, maar als er een ding duidelijk wordt is dat de drank (Hell for leather, lathered, drunk, you’re soused, you’re pissed, you’re sunk, the jukebox now is drunk, just along the way) en de liefde (I’m going to stop messing around) John er op geheel eigen wijze doorheen hebben geholpen. Het kan dan ook niet anders of het album eindigt met de meest epische liefdesverklaring ooit. Because is zwarter dan zwart en eindigt met het mantra:

Kill me before you die, kill me before you die,
Because I love you

Best prima om bij in slaap te vallen, behalve dat je na enkele minuten wordt gewerkt door een hels lawaai en Bramwell die schreeuwt “GIVE ME YOUR LOVE! GIVE ME YOUR LOVE!” Dat is dan weer de humor van de heren… En er zijn andere, lichtere momenten. No Fear Of Falling is een mooi, lief liedje (please don’t stumble through tonight, have no fear of falling) en Bigger Wheels biedt een broodnodig stukje relativisme. Natural History is een van de drie platen die mijn muzikale volwassenheid heeft getekend. De andere twee komen we nog tegen (op 6 en 1, jawel). Maar waar die platen tekenden voor schoonheid en hoop, is Natural History verantwoordelijk voor poëtische teksten, goede drummers en ruimte laten – en daardoor misschien wel de reden waarom ik nooit naar punk ben overgestapt. Bramwell toont zich een unieke observator van de Natural History om hem heen – maar wel een die onlosmakelijk met die omgeving verbonden is. En als hij straks net als de oude mannen op de cover als cynische oude zak op een bankje in Manchester zit, dan mag hij best trots zijn op wat hij allemaal heeft bereikt. There’s bigger wheels than this, there’s wider skies of blue, to get through…

Los van dit alles was het natuurlijk ook uitermate cool om naar school te gaan in een t-shirt met daarop de tekst “I AM KLOOT”. Maar dat geheel terzijde.

Concerten: St Vincent, Smoking Feathers en Thomas Dybdahl

Afgelopen weken heb ik eindelijk (zo voelt het althans) weer eens wat concerten bezocht. Vier acts gezien, waarvan drie de moeite waard om in de titel van dit bericht te vermelden.

St Vincent + Bird on the Wire (Melkweg, 29 februari 2012)

Best lang geleden dat ik in de grote zaal van de Melkweg een concert bezocht. Wel ben ik nog met enige regelmaat in Paradiso geweest, maar Melkweg voelt als een eeuwigheid geleden. Ik sluit niet uit dat het Tallest Man On Earth in 2010 moet zijn geweest. Het recept van vanavond is wellicht het tegenovergestelde van een Noorse bebaarde man met slechts een akoestische gitaar; namelijk een bij vlagen grillige vrouw die soms explodeert tot grote hoogten en dan weer ingetogen is.

Voordat het zover is, eerst Bird On The Wire. Drie Nederlandse meiden die met Roosbeef-achtige (maar Engelse) vocalen sfeerbeelden schetsen. Dat is best leuk, ware het niet dat frontzangeres door lijkt te hebben dat het grootste deel van het publiek niet voor dit trio is gekomen en bij vlagen cynisch over komt. En dat terwijl je me hier toch in de Melkweg staat te spelen! Natuurlijk is het niet leuk dat mensen door je muziek heen lullen – maar dat gebeurt menig main act ook nog steeds. Cynisch kijken verandert al gauw in arrogantie en arrogantie bij een support act waar je nog nooit van hebt gehoord… Tsja, die voelt al gauw misplaatst. Complimenten voor de drummer overigens.

Het is ook niet eerlijk vergelijken natuurlijk, als St Vincent dan het podium op komt met haar band. Begint gewoon even een nummer en speelt dan gitaar alsof het haar nieuwe natuur is. En dan heb ik het niet over een soort van Feist-achtige lieflijke riffjes, maar wel over riffs met ballen die ik na een jaar oefenen nog niet zou kunnen. Mijn mond valt open tijdens opener Surgeon. Het betreft hier geen recht-voor-de-raap pop van drie minuten, maar wel indrukwekkende, intelligente rock met popvleugjes die constante aandacht vereist. In die zin is het optreden vermoeiender, grilliger en harder dan menig singer/songwriter neer zet, maar dat is voor de verandering erg lekker. De stroboscoop wordt niet geschuwd, maar uiteindelijk is Annie Clark vanavond gewoon het middelpunt. De rest van de band speelt mee, maar Clark gunt ze nauwelijks een blik – interactie is ver te zoeken: het betreft hier een spel tussen Annie en het publiek. Aan het einde van het optreden duikt ze zelfs het publiek in, drukt ze de gitaar in de handen van wat jongens en laat ze hen mee lawaai maken.

Ruimte voor rust is er nauwelijks – Year of the Tiger en Champagne Year zijn de enige rustpunten in een verder opzwepende set. Continu weet St Vincent echter te boeien, al hoop je toch stiekem dat ze op een gegeven moment de rest van de band in het spelletje betrekt. Zover komt het niet. Maar een mooie avond is het zeker.

Smoke Feathers + Thomas Dybdahl (Roepaen, 10 maart 2012)

Om onbegrijpelijke redenen (of eigenlijk: er was nog een ander concert) begint het concert van Dybdahl en voorprogramma Smoke Feathers pas om 10 uur ‘s avonds. Dat is balen voor mensen die voor middernacht nog de laatste bus naar de nabijgelegen grote stad (Nijmegen) dienen te halen. De bezoekersbezetting wisselt dan ook nog wat op de dag zelf, maar uiteindelijk ben ik samen met Mischa en een klasgenootje van de basisschool (jaja!) in Roepaen. Mensen met ouders in Ottersum kunnen namelijk gewoon in Ottersum blijven. Wel zo handig. Eindelijk zij we ook weer eens in de kapel. De meeste concerten die ik de laatste tijd bijwoonde, waren in de kapel. Nu dus niet.

Voorprogramma Smoke Feathers – vanavond als duo – werkt hard om serieus te worden genomen als nieuwe folkband en dat gaat niet onverdienstelijk. De teksten worden door de frontman – onder andere twee jaar in Guyana gewerkt als journalist in opleiding – uitgespuugd – bij tijd en wijle. Hier geen “I would like you if you’d like me too!” maar nummers met titels als Liberation Theology, maar teksten die variëren van “welbespraakt” tot “cynisch” (DJ on the Weekend). Op de cd die na afloop wordt verkocht, resulteert dat eerlijk gezegd in een wat middle-of-the-road-product: prima te luisteren met veilige instrumentatie. Live is het in de kleinschalige bezetting erg mooi om naar te luisteren – juist omdat er niet kan worden vertrouwd op piano maar slechts op gitaar, drum en zang. Daarbij wordt er genoeg gevarieerd qua ritme dat het de hele set leuk blijft. Even zijn we bang dat er alleen maar getokkeld gaat worden vanavond, maar juist op dat moment wordt er een lekker gitaar-strum-liedje gespeeld. Gelukkig. Aanrader dus. CD verschijnt officieel in april.

Main act vanavond is Thomas Dybdahl. Het concert wordt gegeven ter ere van het tienjarig bestaan van debuutplaat That Great October Sound, maar na het openingsnummer geeft Dybdahl al aan dat hij daar niet zo zin in heeft. Hij speelt gewoon om beurten een liedje van de plaat en moderner werk. Daardoor lijkt de setlist – eerlijk is eerlijk – vrij veel op die van alle andere concerten die ik van Dybdahl heb gezien en kent die verder geen verrassingen.

De bezetting is dat wel – enigszins – in plaats van de volledige band met door de wol geverfde muzikanten – is Dybdahl vanavond met slechts twee collega’s afgereisd. Dat maakt het voor de beginnende Dybdahl-adept misschien een lange zit, met intieme arrangementen. Waar normale Dybdahl live-concerten namelijk al gauw ontaarden in een funky feestje, wordt hier vertrouwd op bas, steel pedal en Dybdahls gitaar (en piano). Geen drum dus, en aangezien Dybdahl sowieso al veel verstilde momenten in zijn muziek stopt, wordt het een bijzonder zachte avond. Akoestisch, zo u wilt.

Natuurlijk mogen we gewoon meezingen bij Cecilia en Dreamweaver, maar Party like it’s 1929 komt toch net wat feestelijker over met volledige bezitting. Uiteindelijk speelt Dybdahl dan toch nog een geheel nieuw, onuitgebracht nummer. Dat werd tijd, aangezien Waiting for that one clear moment al ruim twee jaar oud is, en er daarvoor en daarna alleen maar (internationale) compilaties werden uitgebracht. Dybdahl lijkt dan ook al enige tijd bezig met greatest hits tours. Gelukkig duikt Dybdahl op korte termijn de studio in om een nieuwe cd op te nemen. Dat belooft nog wat te worden.

Vanavond valt Dybdahl in ieder geval weinig te verwijten. Dybdahl speelt weer mooi en lijkt het prima naar zijn zin te hebben en de arrangementen passen goed bij de nummers. De bas staat misschien wat zacht – waardoor die moeilijk te horen is, maar dat is dan ook echt de enige smet op de avond. Daar laten wij deze mooie avond niet door verpesten. En als de avond al niets anders met me doet, dan is het wel me laten hopen dat er nog talloze fantastische artiesten Roepaen mogen aandoen voor zo’n intiem concert. Altijd meer.

Whisky + Cola

Cola: zoet, dorstlessend (zo lijkt het) en rijk en vol van smaak.

Whisky: subtiel, sterk, gedetailleerd en intens

Whisky + cola: waterige zooi zonder de punch van whiskey of de zoetheid van cola.

(het is net als met zonnekleppen: je denkt dat je het zicht van je bril en de bescherming van je zonnebril combineert, maar het ziet er belachelijk uit en het is in de praktijk net zo onhandig als moeten wisselen tussen een zonnebril op sterkte en je gewone bril)

Dus zonde van je whisky en je cola. Tenzij je cola en je whisky van Euroshopperniveau zijn, zeg ik, Stefan van ditisstefan.nl: nooit meer doen.

Ik heb gezegd.

(hetzelfde geldt voor cola en rum, maar eerlijk is eerlijk: I couldn’t care less)

(waarom schrijven we “whiskey” in Nederland trouwens als “whisky” en niet als “whiskey”?)

(het is overigens al jaren geleden dat ik whisky en cola mixte, maar gisteravond bleek tijdens een goed gesprek dat ik niet de enige ben met deze opvatting en dat het woord verspreid dient te worden)