[Orvieto 2014] Over een olijfgaard, een pauperbak en wonderschone steden

Dit jaar geen zevendelig vakantieverslag, maar één groot verslag van de vakantie…

Bijna walgelijke titels zijn het, Under The Tuscan Sun, Een Huis in Toscane, Villa Toscane, en toch kun je je er meteen iets bij voorstellen. Met Umbrië maak je dan ook minder snel een lekker bekkende titel. Toch is dat deel van Italië, iets ten oosten van Toscane, minstens zo mooi. Ik geef toe dat we veel tijd in Toscane doorbrachten deze vakantie, maar Toscane wordt in de boekenwereld misschien wat vaak gebruikt. Zo erg zelfs dat Under The Tuscan Sun één van de boeken was die in ons huis in Umbrië te vinden was.

Voor het gemak ga ik er in dit verslag even van uit dat we in Orvieto zaten (voor de boektitel Ondergedoken in Orvieto loop ik dan wel weer warm), maar we zaten daar ruimschoots buiten – zelfs nog buiten het ernaast gelegen Ciconia. Toch weer een onverharde bergweg buiten de stad dus. Het resultaat: een mooi uitzicht op de eerder genoemde steden en ’s avonds een prachtige sterrenhemel.

“[Orvieto 2014] Over een olijfgaard, een pauperbak en wonderschone steden” verder lezen

[Bodešče] 2: Ontbijt, kasteel en strand

Helemaal vergeten te vertellen… Terwijl we daar dus de avond tevoren aan de Spritz zaten, liep spontaan Arnon Grunberg langs. Althans, het was een Nederlander, hij liep niet alleen en leek als twee druppels water op de bekende schrijver. Zijn blog maakt geen melding van een bezoek aan Triëst, maar wel van een bezoek aan Piran – niet ver daar vandaan. Wij zouden er op dag 3 naartoe gaan.

Woensdag 10 augustus 2011

Italianen hebben de neiging om de belangrijkste maaltijd van de dag over te slaan. Ontbijt bestaat daar nauwelijks. Duitsers en Fransen mogen dan een respectievelijk echte frühstücktraditie en een petit dejeuner pain, de Italianen eten wat koekjes en drinken een kop koffie, al waarna de dag begint.

Dat wordt dus veel koekjes kanen, want ook wij Nederlanders houden wel van een ontbijt op zijn tijd. Ik zou liegen als ik zou zeggen dat Patty en haar vriend (en de inmiddels naar zijn werk vertrokken Stefano) niet voor enige compensatie hebben gezorgd, maar je buikje rond eten is er niet bij.

Gelukkig realiseer ik mij deze morgen iets essentieels. Vorig jaar moest ik noodgedwongen afkicken van mijn koffieverslaving, maar in Italië kunnen ze wel een kopje koffie zetten. En zeker in Triëst, waar de bekende Illy-koffie en masse wordt geproduceerd. En als Patty aanbiedt om koffie te zetten, dan kan ik geen nee zetten. Voor Mischa neemt ze de melkopschuimer ter hand, ik drink een gewone Espresso. De wereld is ineens een stuk mooier. Al gaan we de afgesproken tijd van tien uur bij het hostel bij lange na niet halen.

Dat is niet alleen onze schuld. De TomTom die ons dit jaar vertelt dat we te hard rijden of de afslag hebben gemist, wordt ingeruild voor de navigatieskills van onze gastvrouw. Dat blijkt achteraf niet zo’n goed idee, want na even rijden wordt schoorvoetend toegegeven dat we misschien beter op de TomTom kunnen vertrouwen. Hemelsbreed zijn we dan best dichtbij, maar omdat Triëst HEEL veel éénrichtingsverkeerstraatjes heeft, moeten we nog een tijdje rijden. Daarbij pakt Patty even een rood stoplicht mee en moet af en toe rigoureus van rijstrook gewisseld worden. Het heeft zijn charme.

Als we eindelijk bij hostel Alibaba aankomen, blijken Erwan en Knoert al weg te zijn. Aangezien je de verscheidene plekken in de stad beter lopend kunt bereiken maar we de auto wel nodig hebben, roepen we de heren terug naar hun slaapplaats. Onder vermelding van “hadden jullie maar op tijd moeten zijn”, kunnen we aanzienlijk later, maar nog voor elf uur onderweg gaan naar de eerste bestemming van vandaag.

Kasteel Miramare ligt aan de kust buiten Triëst. Om er te komen moeten we eerst enkele kilometers de drukke kustweg afscheuren en uitkijken naar een parkeerplaats. Dat blijkt zo makkelijk nog niet: verreweg de meeste Italianen zetten hun auto gewoon half op de weg, half in de berm en uiteindelijk zet ook Mischa hier de auto neer. Langs de kust lopen we naar het kasteel, met uitzicht op in de zon bakkende oudjes. Stefano heeft het ons de avond ervoor al toevertrouwd: het probleem met Triëst is niet de stad, maar het feit dat er zoveel bejaarden en gekken wonen. We zien wat hij bedoelde: Als de mensen op het strand veertig jaar eerder waren gekomen, had het er best leuk uitgezien. Nu: not so much.

Maar we zijn hier niet voor het uiterlijk vertoon, maar voor snuiven des historie ende cultuur. Kasteel Miramare werd halverwege de negentiende eeuw gebouwd als zomerverblijf voor Maximiliaan van Habsburg en zijn vrouw Charlotte von Sachsen. Maximiliaan vond het wel flex als zijn zomerverblijf wat weg had van een schip en liet zijn deel van het kasteel er dan ook uitzien alsof het zo weg zou kunnen varen als je het stenen omhulsel weg zou nemen. Vandaag de dag valt naast het in grote getale aanwezige houtsnijwerk met name de unhealthy obsession met ananas op. In iedere kamer zijn ze te vinden. Vind je het gek dat Charlotte na de dood van haar man flipte en doordraaide? Ik niet. Ik niet.

Ook nog het vermelden waard is het bijbehorende park. In deze verrassend grote tuin is het prettig schaduw ontdekken bij een temperatuur van meer dan dertig graden. Nog leuker is het om te ontdekken dat die schaduw wordt verzorgd door talloze bomen van over de hele wereld. Erg inheems is het natuurlijk niet, maar wel leuk gedaan. Dat gezegd hebbende is het – ondanks de schaduw – erg warm. We besluiten dan ook om ’s middags niet het centrum van Triëst te bekijken, maar naar Patty’s kamer te gaan, om te kleden en naar het strand te gaan. Niet het bejaardenstrand waar we langslopen, maar een cool strand.

Tussen de middag proberen we pizza te halen, maar de incrowd pizzatent blijkt nog niet geopend voor publiek. Daarom gaan we naar de supermarkt en kopen daar een goede lunch vol met onder andere Italiaanse vleeswaren. Na deze lunchpauze rijden we naar een ander strand. Dit strand, volledig uit stenen bestaand, bereiken we door het afdalen van een Via Golgotha aan trappen. Het afdalen is het probleem niet, wel het vooruitzicht dat we straks ook weer omhoog moeten.

Maar dat komt straks pas. Het strandje blijkt gezellig, niet te druk en niet alleen bevolkt met bejaarden (hoewel de meest in het oog springende lieftallige dames er vrij snel naar onze komst vandoor gaan – I wonder why). De stenen zijn tot op zekere hoogte wel een obstakel om op te lopen. Drie van de vijf Nederlanders op het strand halen hun voet open aan de stenen zeebodem. Ik hoor zelf gelukkig niet tot dat drietal. Ik ben namelijk langzaam voorzichtig. Verder biedt de zee erg prettige verkoeling en we blijven dan ook tot de avond aan het strand liggen.

De weg omhoog naar de auto blijkt een goede oefening voor de bergwandelingen die later deze vakantie gepland zijn. Uiteindelijk wordt dit obstakel zonder veel problemen overwonnen, waarna we in de auto terugrijden naar Patty’s appartement. In de veronderstelling dat we vervolgens ergens wat gaan eten, kijk ik enigszins verbaasd als Patrizia en haar vriend aanstalten maken om te gaan koken.

De pasta die vervolgens op tafel wordt getoverd heeft weinig te maken met de Nederlandse spaghetti met gehakt en tomatensaus, maar is zeker niet minder lekker. Sterker nog: het is lang geleden dat ik zulke lekkere pasta heb gegeten. Mischa – van mening dat je je taalgebruik aan moet passen aan je publiek – heeft zijn normaal bijzonder goede Engels gelaten voor wat het was en laat op inmiddels karakteristieke Borat-wijze aan de vriend van Patty weten dat het een goed teken is dat we allemaal in stilte eten. “That is big compliment.” En dat is het ook. Het toetje is grote bak Straciatella-ijs. Want we hadden nog geen ijsjes gegeten in Italië deze vakantie.

Pim moet deze pasta missen, omdat hij met een vriendin uit Glasgow heeft afgesproken, die in Triëst heeft gestudeerd en in de buurt is. Na het eten gaan we dan ook naar de stad om “het mooiste plein in de stad” te bekijken en Pim op te zoeken – die vlakbij dat plein aan het socializen is.

“Het mooiste plein van de stad” is niet per se het hoogtepunt van de dag. De schoonheid van het plein kan niet worden ontkend, maar er zijn zoveel spots en lampen op geplaatst, dat de schoonheid een beetje kunstmatig en overdreven overkomt. De volgende dag zouden we het plein nog even bij daglicht aanschouwen – vanuit de auto – en tot de conclusie komen dat het plein dan eigenlijk mooier is.

De bar waar Pim is maakt op mij de indruk van een echte Italiaanse studentenkroeg: jong publiek, maar een uitgebreide selectie aan bier en andere alcoholische versnaperingen. Er loopt volgens andere aanwezigen naast mijzelf nóg iemand met een gouden sleutel rond, maar ik heb haar niet gezien. We maken het vanavond niet te laat, want de volgende dag moeten Patty en haar vriend al vroeg weg en wij willen geen spelbrekers zijn.

Van Stefano hebben we vandaag nog niets vernomen. Nu laat hij weten dat hij bij een vriendin slaapt. Dat vinden wij uiteraard niet erg. Als we echter tegen enen terug bij het appartement komen, blijkt dat Stefano’s boodschap niet goed is aangekomen: De vriendin van Stefano blijft bij Stefano slapen, niet andersom. Dus liggen we nu met vier man en een vrouw op de kamer van Stefano. Vast niet het intieme feestje waar Stefano op gehoopt had, maar hij kan niet claimen dat hij niet wist dat we nog een nacht konden blijven slapen. De nacht verloopt verder gelukkig zonder noemenswaardige incidenten – al heb ik wel eens beter geslapen. Morgen gaan we naar Slovenië.

[Bodešče] 1: Een Triëst begin van de vakantie

Na een geslaagde editie vorig jaar naar Zweden, besloten we om ook dit jaar met Pimfandischasjo op vakantie te gaan. Ik zal niet liegen: ik keek best uit naar deze vakantie. Niet dat mijn werk zo erg is – in tegendeel – maar af en toe uitrusten, bijkomen en nieuwe indrukken verzamelen heb ik nodig op zijn tijd. Het is een goede traditie om met vijf van mijn oudste vrienden (qua tijd dat we vrienden zijn) een week of wat weg te gaan. We kennen elkaar goed, vallen in oude rolpatronen en hoeven maar weinig voor elkaar te verbergen (behalve camera’s die opnames maken).

Eén van onze vervelendste gewoontes is besluiteloosheid. Daarom besloten we na een weekend in de Ardennen in 2009 om iedereen om de beurt de vakantie te laten organiseren (tot op zekere hoogte). Vorig jaar was Mischa hoofd van onze Zwedenreis, dit jaar (na enige gemoedelijke groepsdruk) stond Knoert aan de wieg van een reis naar het zuiden. Ryanair vliegt vanaf Weeze naar Triëst, waar zowel Mischa als Pim mensen kenden. Een bezoek aan deze stad werd gecombineerd met de werkelijke bestemming van onze reis: de Sloveense bergen. Zo combineerden we het Italiaanse stadse leven met de rust en natuur van de bergen. Een goede combinatie, zo mag nu geconstateerd worden.

Dinsdag 9 augustus 2011

Op dinsdagmiddag vertrekken we bepakt en bezakt richting de Duitse grens. Met zes man in één Volkswagen Cabby bleek prima te passen (indien één iemand in de achterbak ging zitten) en we waren dan ook ruim op tijd op vliegveld Weeze. Daar was, na het inchecken van onze extra bagagetas (ook een traditie: alles in de handbagage en één tas) genoeg tijd te doden om weer in ouderwetse flauwe grappenmodus te geraken.

Het is alweer ruim zeven maanden geleden dat we voor het laatst met zijn vijven bij elkaar waren – met de leden van onze vijftal verspreid over Nederland en Schotland is elkaar regelmatig zien helaas geen optie – en dan is het altijd fijn om te zien dat we het nog niet verleerd zijn.

Vluchttechnisch gezien gaat alles goed: we mogen plaatsnemen in de stoelen met extra beenruimte bij de nooduitgang. Onderweg wordt één keer turbulentie aangekondigd, maar die blijkt te verwaarlozen.

Na zo’n anderhalf uur landen we op schema op het Aeroporto Friuli Venezia Giulia – iets ten noorden van Triëst. Dat vliegveld bleek bijna net zo schraal als het vliegveld in Växjö vorig jaar. Het heeft weliswaar meer weg van een vliegveld dan van een busstation, maar de commerciële activiteit in de terminal blijkt beperkt tot een restaurant dat om 21:00 uur dicht gaat (geen extra avondeten dus) en van die weegschalen waarop je je eigen gewicht kan meten tegen betaling van een euro. Terwijl er ook weegschalen staan om je bagagetas op te wegen – die geheel gratis zijn.

De eerste tegenvaller van de vakantie laat niet lang op zich wachten. Mischa’s telefoon zit niet meer in zijn zak. In het vliegtuig kijken of hij daar ligt, mag niet meer, bij de gevonden voorwerpen ligt de telefoon (uiteraard) ook niet. De medewerker geeft de standaard Ryanair-nummers in Engeland en Ierland, voor de zekerheid, maar de hoop op het terugkrijgen van de telefoon is dan allang vervlogen. Gelukkig heeft Mischa een adressenlijstboekje waar ook het telefoonnummer van onze gastvrouw instaat. Mochten we dus verdwalen, dan kunnen we met een andere telefoon alsnog contact opnemen.

Met een in mijn geval haflege maag (zo’n maaltijdsalade van de AH om 16:00 uur ’s middags blijkt niet afdoende voor een avond zonder trek) maar volle bagage lopen we naar het Hertz-kantoor om ons vervoermiddel te scoren. Mischa – wederom onze designated driver dit jaar – heeft gekozen voor een Peugeot 508, maar de verrassend Scandinavisch uitziende Hertz-medewerker kan de sleuteltjes niet vinden. Na een controle “of ze niet in de auto liggen” krijgen we vervolgens een andere Peugeot mee: de aanzienlijk hogere 3008. De motor is gelukkig krachtig genoeg om op een normaal tempo te accelereren met vijf jonge goden en zes zware bagage-items in de bak (minus een telefoon). Ook bergop. Na een inspectie verlaten we het vliegveld op naar Triëst.

In Triëst worden we ontvangen door druk toeterende Italianen en aggressief rijgedrag. Blijkbaar neemt men het hier niet zo nauw met verdrijvingsvlakken en snelheidslimieten. Je aan de regels houden is bijna een risico in zo’n situatie. Ik haal opgelucht adem dat ik deze vakantie hier NIET hoef te rijden en nog fijn wat lesjes in Nederland mag rijden. Valt het verkeer hier toch best mee. Ook het parkeren is in Italië overigens een kunst op zich. Of het nu om scooters gaat of Fiat Punto’s, Panda’s of 500’s: iedereen zet auto’s op plekken waar je in Nederland binnen vijf minuten een bon onder je ruitenwisser zou krijgen, maar blijkbaar is het parkeerbeleid geen prioriteit van Berlusconi.

Aan de andere kant kun je dan natuurlijk wel gratis parkeren. Ok Moj. We rijden naar de woning van Patrizia en Stefano en proberen een parkeerplek in de buurt te vinden. Dat lukt – tegen alle verwachtingen in – heel eenvoudig: nog geen twee straten verderop vinden we een plekje met ruimte voor een grote bak als die van ons. Er zitten nadelen aan zo’n grote auto en het parkeren in Italiaanse steden blijkt één van die nadelen. Maar vandaag nog niet dus. Drie van ons blijven bij Patrizia en Stefano slapen. Knoert en Erwan hebben we dan al afgezet bij hotel/hostel Alabarda – dat bij ons al snel bekend stond als Alibaba.

Patrizia is een vriendin van Mischa uit de tijd dat hij in Zweden studeerde. Dat is alweer enkele jaren geleden en sindsdien hebben de twee elkaar niet meer gezien. Het weerzien is heuglijk. Pim en ik ontmoeten haar voor het eerst. Voor ons allebei nieuw zijn “Patty’s” vriend Lorenzo – die gedurende deze dagen net zoveel Engelse woorden zal uiten als gewoon is in de traditie van de Franse stomme film. Ze zijn er nog steeds: Europese jongeren die niet goed Engels kunnen. Toch is hij meegekomen naar Triëst om ons te ontmoeten en zijn Engels te oefenen, wat erg sympathiek is. Stefano – Patrizia’s huisgenoot – blijkt aanzienlijk beter Engels te kunnen en is een smooth-going hiphop Italiaan.

In de keuken kletsen we verder. Wanneer ik een blik uit het keukenraam van de studentenwoning van Patty en Stefano werp, ontdek ik een vrijwel lege parkeerplaats. Dat krijg je wanneer je een hele stad hebt met vrij parkeren hebt maar een flatgebouw eigen parkeerplaatsen geeft die niet worden gebruikt. Na enige flauwe grappen over het feit dat we na alle parkeerchaos in Triëst een vrijwel lege parkeerplaats hebben ontdekt, wandelen we naar de stad voor een drankje. Eéntje dan. Want we zijn stiekem wel vermoeid van de reis.

Het is een mooie zomeravond in Triëst en we nemen dan ook een plaats op een terras in de stad. Stefano verzekert ons ervan dat de lokale drink of choice hier Spritz is. Spritz is (witte) wijn, aangelengd met mineraalwater en een andere alcoholische drank naar keuze. Ik had meer zin in een koud pilsje, maar ga overstag en neem een Spritz Aperol. Onder het motto: “een pilsje kan altijd nog.”

Het glas wat ik vervolgens in mijn handen krijg gedrukt is groter dan verwacht, maar het smaakt niet per se verkeerd. Zoet en bitter, met een makkelijke dronk. Zeker in combinatie met de zeer welkome chips, pinda’s (en minder welkome olijven). Spritz is leuk voor een keer, maar ik kan er mee leven dat ik geen Italiaanse player wordt. Mijn Italiaanse playernaam Stefano is inmiddels toch al gejat door onze gastheer, die er – nadat hij zijn Spritz heeft genuttigd – vandoor gaat omdat hij om half 8 op moet om aan de slag te gaan in de haven nabij Triëst.

Met Patty en Lorenzo blijven we achter, maar niet veel later gaan ook wij naar onze bedden. Die blijken beter dan vooraf gehoopt. Een stretcher en tweepersoons slaapbank bieden genoeg comfort om een redelijk nachtrust te behalen, voor zover dat kan met vier mannen op één kamer.

Als ik de volgende ochtend wakker word, kijk ik uit het raam. Dit is wat ik zie:

Een strakblauwe hemel. Die had ik in Nederland al een tijdje niet meer gezien.

In de volgende aflevering: koffie, kastelen en de zee in…