Op 27 februari 2012 keek Stefan toevallig op zijn Last.fm-profiel om te zien welke cd’s hij nu eigenlijk het vaakst had geluisterd sinds 22 september 2004 – de dag dat hij lid werd van de muziekstatistieksite. In de hoop nu eindelijk eens uit te leggen waarom de muziek in kwestie hem nu zo dierbaar is, loopt hij op ditisstefan.nl de top 25 langs.
8: Travis - The Boy With No Name (2007)
The Boy With No Name past qua titel feilloos bij de succesvolle albums van Travis. In hetzelfde straatje als The Man Who en The Invisible Band (en het straatje van The Seldom Seen Kid, maar dat is dan weer een Elbow-plaat) dus, maar de muziek is toch van dubieuzer kwaliteit. Weliswaar beter dan voorganger 12 Memories, maar gedurende het luisteren bekruipt je toch het gevoel dat er wat fillers op deze plaat staan. Een paar hele goede liedjes en een paar b-kantjes. En als ze deze plaat nu hadden gecombineerd met opvolger Ode To J. Smith, dan had de plaat wellicht nog beter verkocht dan die nu deed (bijna een half miljoen exemplaren wereldwijd).
Travis worstelde lange tijd met wie ze waren en of ze niet eens iets anders moesten spelen dan Why Does It Always Rain On Me? maar op The Boy With No Name vinden ze voor het eerst weer vrede in hun muzikale stijl zonder dat het dertien-in-een-dozijn wordt. Voor mij drijft de plaat op slechts een paar nummers:
Closer is Travis zoals we het kennen: Fran Healy zingt op enigszins melancholische toon dat het allemaal niet zo gaat zoals hij wil (need to get closer… closer) en de muzikale begeleiding speelt lekker weg. Understated, heet dat in Engeland. Verreweg het beste nummer op de plaat.
Selfish Jean is verreweg het leukste nummer op de plaat. Niet het beste – want niet bijster origineel – maar wel prima gitaarpop volgens de regels terwijl de Jean uit de songtitel even de waarheid wordt bezongen. De tekst is echter zo luchtig (You keep the chocolate biscuits wired to a car alarm OOOOOOOOOH Selfish Jean) dat van echte boosheid geen echte sprake lijkt. Het is zo’n nummer wat meteen weer opnieuw kan beginnen als het is afgelopen.
Big Chair is ruimtelijk met een heerlijk ritme. Precies zo’n nummer waarvan je vergeet hoe fijn het is totdat je het weer eens aanzet. Dat is in contrast met de rest van de cd, die zo makkelijk in het gehoor ligt dat je hem helemaal vergeet en er niet door wordt verrast als je hem aanzet. Zelfs Under The Moonlight is – in duet met KT Tunstall – een beetje bleu. Jammer. Maar zo zie je maar weer: drie hele goede liedjes is genoeg om een album aan op te hangen. Zodat het op aantal keer luisteren toch in de top 8 eindigt.
Op 27 februari 2012 keek Stefan toevallig op zijn Last.fm-profiel om te zien welke cd’s hij nu eigenlijk het vaakst had geluisterd sinds 22 september 2004 – de dag dat hij lid werd van de muziekstatistieksite. In de hoop nu eindelijk eens uit te leggen waarom de muziek in kwestie hem nu zo dierbaar is, loopt hij op ditisstefan.nl de top 25 langs.
9: Elbow – Asleep in the Back (2001)
Inmiddels zitten we in de top 10 van albums die ik de afgelopen tien jaar het meest heb geluisterd. En waar het me lager in de top 25 nog wel eens lukte om analytisch naar een plaat te krijgen, of een plaat te associëren met een bepaalde levensfase, komen we zo langzamerhand bij de platen die ik zo goed ken, dat het moeilijk wordt om er iets over te vertellen. Alsof je een vriend probeert te beschrijven aan een collega. “Ja, hij is gewoon Henk.” Er komt nog wel een verrassing of twee aan, hoor, maar we zijn dus aangekomen bij de Henken van mijn top 25. De stukken worden langer – merk ik ook – doordat ik meer en tegelijkertijd minder te vertellen heb. Meer bijzaak, minder de plaat zelf. Ik weet nog niet of dat de bedoeling is of niet.
Asleep in the Back komt net als de meeste platen uit dit lijstje uit het begin van deze eeuw. 2001. In 2011 bracht het – eindelijk doorgebroken – ElbowBuild a rocket, boys uit. Een melancholische plaat, maar vooral ook een nostalgische plaat. Het komt waarschijnlijk door de leeftijd van de heren. Nostalgie, melancholie en directheid maken de dienst uit. Tien jaar ervoor horen we – als we eerlijk zijn – de melancholie op de debuutplaat. Melancholie, donkere humor en zware thematiek.
(Soms denk ik wel eens dat Build a rocket, boys Elbows manier om te zeggen is “weet je nog dat we Asleep in the Back maakten?”)
Asleep in the Back was de debuutplaat, maar niet het eerste album wat de heren opnamen. Er werd heel veel materiaal door het label geschrapt, waardoor de band al zeven jaar bezig was voordat dit album werd uitgebracht. Je zou er vanzelf mismoedig van worden, wat wellicht de sfeer op nummers als Any Day Now, Little Beast en Bitten By The Tailfly verklaart.
Ik werd er in ieder geval niet vrolijk van, in eerste instantie. Red - de single – was het enige nummer wat ik mooi vond en verder slingerde de cd wat rond op mijn kamer. Pas toen Leaders of the Free World uit kwam in 2005, viel bij mij het Elbow-kwartje (daar hebben we het nog wel over).
Het mooie is dat we op deze single al de grootse Elbow horen. Weliswaar geen opgeblazen muur van geluid hier, maar wel een soaring melodie en een van pijn doordrenkte tekst. Dezelfde sfeer ademt voor mij Powder Blue en spookachtige opener Any Day Now.
De nummers die ik nu het mooist vind, daarentegen, ademen een andere sfeer. Ze houden het midden tussen de melancholie die ik eerder aanstipte, en een zekere mysterie. Nummers als Don’t mix your drinks en Newborn (en ieder nummer dat begint met een zin als I’ll be the corpse in your bath tub, useless… krijgt van mij +1). Zeven minuten duurt dat nummer, waarbij de eerste drie als single zijn uitgebracht. Zonde noem ik dat, want in de vier erna stijgt het nummer naar epische hoogte.
Het is de afsluiter die me echter het langst zal bijblijven (hieronder in een mooie live versie). Toegegeven, hier komt voor het eerst die melancholie om de hoek kijken – waarvan ik eerder in dit verhaal zei dat die grotendeels afwezig was… Toch nog – aan het einde van de lange, donkere luistersessie – maar hier is het een antidote, een pijnstiller, en niet het hoofdingrediënt van het gerecht dat Elbow opdient. Als de rest van het album je prima een depressie in kan helpen, trekt Scattered Black and Whites je er weer uit.
Op sublieme wijze beschrijft Elbow hier jeugdherinneringen, het anker van je leven, de fysieke plek en de state of mind die je een zekere rust geven. En daarom is het ook mijn rustpunt in de discografie van Elbow.
Been climbing trees I’ve skinned my knees
My hands are black the sun is going down
She scruffs my hair in the kitchen steam
She’s listening to the dream I weaved today
Crosswords through the bathroom door
While someone sings the theme tune to the news
And my sister buzzes through the room leaving perfume in the air
And that’s what triggered this
I come back here from time to time
I shelter here somedays
A high-back chair, he sits and stares
A thousand yards and whistles marching-band
Kneeling by and speaking up
He reaches out and I take a massive hand
Disjointed tales that flit between
Short trousers and a full dress uniform
And he talks of people ten years gone
Like I’ve known them all my life
Like scattered black & whites
I come back here from time to time
I shelter here somedays
I come back here from time to time
I shelter here somedays
En dat somt uiteindelijk Asleep in the back op. Het is een album dat vooral de donkere kanten van het leven bekijkt, maar flirt met positivisme. Elbow is uiteindelijk een “menselijke” band. Waar sommige bands een bepaalde kant van het leven weten te belichten, lukt het Elbow op hun beste momenten om het hele menselijke scala te belichten: liefde, wanhoop, depressie, hoop, nostalgie en het donkere beest dat achterin de auto slaapt als je door de nacht rijdt. Niet wetend waar je uitkomt. Soms ligt dat beest daar te slapen en soms wordt het wakker en indoctrineert het je met je ergste angsten. En soms blijft het slapen daar achterin de auto en is een herinnering of wens genoeg om je sluimerende angsten te bezweren.
Op 27 februari 2012 keek Stefan toevallig op zijn Last.fm-profiel om te zien welke cd’s hij nu eigenlijk het vaakst had geluisterd sinds 22 september 2004 – de dag dat hij lid werd van de muziekstatistieksite. In de hoop nu eindelijk eens uit te leggen waarom de muziek in kwestie hem nu zo dierbaar is, loopt hij op ditisstefan.nl de top 25 langs.
10: Turin Brakes - Ether Song (2003)
Eerder deze week verscheen de nieuwste versie van iTunes – het nog steeds in veel opzichten matige muziekprogramma van Apple. Wanneer je je iPhone wilt synchroniseren met dit programma, kun je ervoor kiezen om dit draadloos via iCloud te doen. Dat omschrijft Apple als “Uw agenda’s worden via de ether met iCloud gesynchroniseerd.”
En dan moet ik dus grinniken. Ether.
Want Ether staat voor mij synoniem aan Ether Song, het tweede album van mijn favoriete band Turin Brakes. Dus verwijzingen naar Ether zijn voor mij verwijzingen naar Ether Song, niet naar de “tussenstof” die men vroeger dacht dat het was – of de chemische verbinding. En zoals men vroeger dacht dat de Ether overal om ons heen was, zo is ook dit album altijd een beetje bij me.
Ik weet nog de dag dat ik het album samen met mijn goede vriend Mischa ging kopen in de Free Record Shop in Boxmeer – na school. 03-03-03 was de releasedatum. Ze hadden meerdere exemplaren van de limited edition in een apart vakje voor de band staan (dat is tegenwoordig wel anders). Single Painkiller kwam op MTV en 3FM en lag ook in het rekje. En terecht. Want we hadden er net een tijd op zitten dat akoestische gitaren weer helemaal hip waren (net zoals de afgelopen tijd folkpop weer erg aanwezig is op de radio). Painkiller werd een top 5 hit in Engeland en Turin Brakes genoemd voor grootse dingen. Dure clips, grote uitverkochte liveshows en een jongen in Nederland die een fansite begon.
Rond het verschijnen van dit album werd ik pas echt fan van de heren. Sinds oktober 2002 – rond de verschijning van single Long Distance - zat ik op het officiële Turin Brakes forum. Verslavend was het: MSN stond aan en iedere keer als iemand reageerde op een topic waar ik ook op had gereageerd op het forum, kreeg ik een mailtje van “Apache” of “Nobody”. Soms kwamen er meer dan tien van dat soort mailtjes binnen een minuut. Aan MSN’en kwam ik bijna niet meer toe. Het zal zo’n tien jaar geleden zijn dat mijn fan zijn van Turin Brakes zo echt werd aangewakkerd. Twee maanden na de release van Ether Song - in mei 2003 – begon ik mijn Turin Brakes fansite: Ether Site.
Maar waar The Optimist LP een ongekende schoonheid blijkt te bevatten door de simpele productie en instrumentatie, is Ether Song ambitieuzer in geluid. De opnames van het album die ontzettend veel weg hadden van de debuutplaat werden ter zijde geschoven en met producer Tony Hoffer werd in Los Angeles in een paar weken tijd een album gepresenteerd wat het midden houdt tussen rock, ambient en pop.
Opener Blue Hour opent met zo’n ambient geluid en een cackle van zanger Olly die zo aanstekelijk werkt dat ze hem maar op de opname lieten staan. Dan begint de beat en komt verdomme een elektrisch versterkte gitaar binnen vallen. CONTROVERSE! De stijl is wat vervreemdend als je Feeling Oblivion gewend bent, maar de tekst is dat niet. Pace of this place slow down, suits thrown your phones to the ground… Een oproep tot reflectie en stilstand, waarbij de titel verwijst naar dat moment tussen dag en nacht waarin de lucht op zijn mooist is. Olly en Gale hadden altijd al iets met luchten, zie ook de cover van alle andere albums (behalve Dark on Fire).
Ether Song is opgenomen met muzikanten die bekend werden door hun werk met Beck en Air en dus is er – als je de plaat een ding kunt verwijten – de discrepantie met hoe de band live klinkt. Liedjes als Average Man en Falling Down kwamen live nooit zo goed tot hun recht als op de cd. Dat geldt overigens niet voor Long Distance, een vroeg hoogtepunt op de cd. Het nummer is qua productie interessant – want vol effecten en toch zijn alle instrumenten duidelijk te horen. Olly’s stem bereikt een absoluut hoogtepunt in de discografie van de heren op de zinnen I’m burning to get there / the middle of nowhere / storm warnings flicker while the world’s turning…. Beter dan dit wordt het tot nu toe nog niet. Ik weet niet aan welk knopje Tony Hoffer draaide tijdens de opnames van dit nummer, maar hier is Olly’s stem zo puur, zo natuurlijk, zo mooi, dat het iedere keer kippenvel oplevert. Maar niet voor lang, want meteen daarna rockt het nummer het refrein in.
Long Distance introduceert ook de traditie van instrumentale outro’s. Het is de eerste keer dat een Turin Brakes nummer is afgelopen en dan nog een instrumental een “nagedachte” krijgt. De band zou dat op derde album JackInABox nog vaker proberen. Deze is het mooist en komt live ook goed tot zijn recht, waarbij Olly vaak al zingend improviseert.
Hierna komen we in traditioneler Turin Brakes-land, met nummers als Self Help, Falling Down en livefavoriet Stone Thrown. Allemaal een goede balans tussen de nieuwe productie en de oude thematiek en speelstijl. Ik wil het hier even niet hebben over Clear Blue Air of hit Painkiller. Voor mij wordt het weer interessant vanaf Full of Stars. Lead vocals komen van Gale, die normaal de koortjes voor zijn rekening neemt en om die reden is het nummer niet zo vaak live gezongen. Het is een mooi, zoetgevooisd nummer met een bittere, melancholische tekst.
Don’t let the colours bring you down
They’ll get much brighter one day
You know all things will come around
If you would leave them in their sway
I’m gonna save it all and these photographs
Keep something here for me
When I’m dead and gone I’ll laugh last
For what’s left here to see
Het zijn de details die hier indruk maken. De spookachtige vocalen, de slide solo die in eerste instantie detoneert op de wollige elektrische piano en de stem aan het begin die zachtjes zegt Go ahead and start it, I’ll follow…
En de overgang dan…. Naar Panic Attack. Een nummer wat ik totaal niet snapte tot ik zelf paniekaanvallen kreeg. En toen kon ik er lange tijd gewoon niet naar luisteren. Hier is de tekst spot on, zoals de Engelsen zeggen.
Paint your panic attack, lonely inside a lift, the smallest thing could strip you to your skin
Feel your lonely skies, when times are hard, wave bye bye, bye bye baby, burning eyes of demise
Daarna wordt de tekst door elkaar geschud. Een verstoring van de zinnen en volgorde. De ingrediënten zijn hetzelfde, maar de betekenis is anders. In interviews zouden de heren vertellen dat Tony Hoffer erop stond dat dit nummer op het album zou komen. Terwijl de heren het niet zo zeer als liedje maar als experiment zagen. Het is tekenend voor de invloed van Hoffer, die als enige producer er in slaagde de heren uit hun comfort zone te trekken en iets te maken wat groter was dan henzelf. Niet navelstaren maar spelen op een andere manier zonder na te denken wat de wereld ervan vindt. Panic Attack is voor mij persoonlijk van grote waarde, maar op een andere manier dan de andere nummers die ik van de heren waardeer.
Little Brother is verreweg het donkerste (en hardste) nummer op het album. Agressie, woede en zelfmoord zijn de ingrediënten (You’re losing it / I couldn’t tell / ’till you hung yourself). Het zou beter passen in een ander genre en daarom hier een aggressieve gitaarpartij, die halverwege uit elkaar wordt getrokken voor een stil intermezzo en dan weer kei hard begint.
Nog een hoogtepunt op de cd, maar nooit een prettige luisterervaring. Die komt in de kalmte daarna, Rain City. Reflectie, mooier dan ooit. Rust. Een nummer wat ik altijd kan luisteren. Geschikt om bij stil te staan voor je weer een dag gaat rennen, maar ook een nummer om bij te eindigen. Gebruikt in hitserie The O.C. en daarom een van de bekendste nummers van de heren buiten Engeland, maar schandalig genoeg niet op The Best Of opgenomen (Olly zou me toevertrouwen dat hij ook niet snapte waarom ze dat zijn vergeten). Lo-fi, intiem en huiskamerkwaliteit. Dat hadden we op de plaat nog niet gehoord. Oh my love, I can’t let go / Nature’s cruel she laughs at me… Ik had het niet verwacht maar bijna tien jaar later is dit mijn favoriete nummer.
En dan de hidden track. De thematiek achter dit album (dat de nummers “uit de ether zijn geplukt, waar alle creativiteit rondzoemt) vond ik altijd al een beetje “achteraf bedacht”, maar goed, uiteindelijk vat het de boel wel mooi samen. Na Rain City volgt een stilte van enkele minuten die door het geluid van een overvliegend vliegtuig zacht wordt doorbroken. Drie akkoorden. In the eeeeether. In the ether’s air. Would you be there? Would you be my friend?
Nog een keer een climax, nog een keer alle zeilen bijzetten. Langzame progressie naar een een groot aantal decibel. Om daarna weer even rustig te vervagen in een einde. Ether Song. Terecht een top 3 album in Engeland.
Toch riep het album verdeelde reacties op: de een vond het geweldig, de ander matig. Ik haatte eerst de productie, maar na een jaartje of twee viel het kwartje (bovendien bleek de cd gezien zijn variatie in geluid erg geschikt om een nieuwe stereo mee uit te zoeken in 2004). Nu is het album als een vriend die ik niet zo vaak spreek, maar die ik nog steeds door en door ken. En af en toe ga ik bij hem langs om herinneringen op te halen.
* overigens is dit album nog meerdere keren opnieuw uitgegeven met extra nummers die er totaal niet bij passen. Er is maar één versie die telt. Het origineel. En de eerste limited edition dus, die ook op 03-03-03 verscheen. Ik heb het nauwelijks gehad over de single Painkiller. Tegelijkertijd een zegen en een vloek voor de band. Een top 5 hit, enigszins bewust gekozen (in interviews bij de release geeft de band al aan dat dit nummer wellicht deuren opent die anders gesloten zouden blijven), maar helaas voor hen dacht het platenlabel ook dat dit het enige nummer was dat dat kon. Na de teleurstellende release van ‘Average Man’ werd de band dan ook weer de studio ingestuurd voor het rete-commerciële ‘5 Mile’ (de video was de duurste ooit en bevat een mooie verwijzing naar Coldplay – dat dan weer wel), een nummer dat beter nog een jaartje of twee had kunnen rijpen. Dit alles is niet zo zeer een onderdeel van het originele album en heb ik hier daarom verder buiten beschouwing gelaten.
Op 27 februari 2012 keek Stefan toevallig op zijn Last.fm-profiel om te zien welke cd’s hij nu eigenlijk het vaakst had geluisterd sinds 22 september 2004 – de dag dat hij lid werd van de muziekstatistieksite. In de hoop nu eindelijk eens uit te leggen waarom de muziek in kwestie hem nu zo dierbaar is, loopt hij op ditisstefan.nl de top 25 langs.
11: The Whitest Boy Alive - Dreams (2006)
Na enkele elektronische soloprojecten kreeg Erlend Øye weer zin om in een band te spelen. Maar niet een band waarbij over iedere noot wordt gediscussieerd en nagedacht – zoals de Kings of Convenience. Nee, een band die vrolijk, impulsief en direct is. Die met een beetje geluk ook nog de voetjes van de vloer krijgt. Positief, maar realistisch. Dromerig, maar ook met humor.
En zoals zo af en toe gebeurt in de muziekwereld, sloegen de initiatiefnemers hiermee de spijker op zijn kop. The Whitest Boy Alive – en inderdaad, een veel “wittere” zanger dan de Noor Erlend kun je je bijna niet voorstellen – begon al eind 2003 als een elektronisch project en evolueerde langzaam tot het viertal mensen dat zonder hulp van geprogrammeerde elementen dansbare muziek maakt. Het eerste nummer dat de band (het project) uitbrengt is dan ook een elektronische, bijna statische versie van Inflation. In 2006 resulteerde dat alles in Dreams waar dat zelfde nummer op staat, maar dan met live instrumenten (en “heart”). En de Erlend die we al kenden van Kings of Convenience horen we hier als vanouds, maar dan met een sound waarin zijn ingetogen vocalen perfect tot hun recht komen. Niet dat die niet mooi klonken in samenzang, maar de dromerige solostem die we hier horen… Je moet er van houden en ik hou er van!
En met mij vele anderen, want opvolger Rules bombardeerde de band tot ware festivalhit en verzamelpunt van muzieknerds EN hipsters alike. Maar Dreams kwam daarvoor te vroeg. Het is een album dat bescheiden werd neergezet: uitgebracht door een eigen label (Bubbles) en een doe-het-zelf-mentaliteit waar veel muzikanten een voorbeeld aan kunnen nemen. De multinationale band, met als hoofdkwartier Berlijn (hipper dan hip) timmerde aan de weg zonder noemenswaardig marketingbudget en trok in eerste instantie uitsluitend bestaande fans van Erlend. Dreams doet de titel eer aan: het is dromerige muziek waarop je met een beetje geluk met je voeten kan schuifelen.
Maar er gebeurde iets… De band bleek live best wel goed. Erlend kon eindelijk de foute pasjes doen die bij Kings of Convenience uit de toon zouden vallen en de andere bandleden maakten lol op hun eigen manier: een foute snor, een keyboardsolo, of zelfs elkaars instrumenten bespelen (met vaak hilarische gevolgen). En ergens tussen Amsterdam en Istanbul, daar ging het fout… Daar bloeide Erlend op tot een diva / leider / charismatische man die alleen nog uiterlijk een nerd is.
En waar opvolger Rules veel meer deze live feel van de band omarmt, is Dreams een echte studioplaat: meer voor de hoofdtelefoon dan de subwoofer. En dat is best wel geslaagd. Omdat de plaat met verschillende tracklists is uitgegeven op verschillende labels, kan ik niet anders dan gewoon mijn eigen versie bespreken – die van het Zweedse label Service. Opener Burning is een stamper die er niet om heen draait. Simpele tekst, simpel ritme en simpele gitaarnoten die de melodie uitspellen. So many people telling me one way, so many people telling me to stay, never a chance to have my mind made up, caught in a motion that I don’t want to stop. En dat dan heel vaak herhalen. In een interview gaf Erlend ooit aan dat hij zoveel dansbare muziek zo ‘dom’ vond qua tekst, maar qua variëteit doet hij hier zijn betoog weinig eer aan. Dit is een gebbetje, getuige de lachende bandleden aan het eind van het nummer: gewoon live een nummertje spelen en dat opnemen op de plaat. En dat dan als eerste nummer op de plaat zetten. Omdat het kan.
Burning is dan ook een uitzondering op de plaat, want verder mogen we hier spreken van eenzame liedjes met relatief diepgaande teksten – al gaan ze wel allemaal voor dezelfde thematiek. Het nummer wordt gevolgd door Above You waarin Erlend zijn rol van “kijk eens wat een slimme teksten die aan het eind van de dag allemaal over liefde gaan” aanneemt. If you have a way of knowing, every river can be crossed… Dat soort teksten. Deze rol zien we vaak in zijn oeuvre. Aan het eind verandert Above You in I Want You en het staat buiten kijf datdat van begin af aan de bedoeling was geweest. Above You is niet het beste nummer van de cd, maar wel een van de belangrijkste. Het is namelijk een van de weinige nummers op de eerste cd waar synthesizers worden gebruikt – in de live shows en op de volgende cd een essentieel onderdeel van de band. Hier zijn de synths “briljant” al zeg ik het zelf.
Na het al eerder genoemde debuutliedje (Inflation) volgt Fireworks waarin het archetype van het Whitest Boy Alive liedje wordt neergelegd: de drummer volgt een vrij standaardritme, Erlend speelt een serie noten op de gitaar, Marcin Öz speelt een vergelijkbaar basloopje mee en waar nodig wordt het geheel onderbroken voor een gitaarsolo zonder echte climax – die wordt namelijk veroorzaakt door de drums of de synths. Fireworks lijdt wat mij betreft dan ook onder alle andere Whitest Boy Alive nummers. Dit nummer grijpt de kern, maar verliest daardoor de eigen identiteit.
Nee, dan Don’t Give Up, voor mij het absolute hoogtepunt van de cd en de belichaming van de ‘gevoelige’ Whitest Boy Alive. Hoewel er meer nummers op de cd staan die het leed van de moderne hipster/nerd/jongen verwoorden, is Don’t Give Up verreweg de mooiste. Niet alleen breekt het met de cd door een zachte sound (Rhodes), het bevat ook nog een mooie Call & Response die mij keer op keer kippenvel bezorgd.
Give me a reason to stay constantly ignored
(I don’t think I can)
Give me an angle that I haven’t tried before
(Not from where I stand)
A guarantee for being honestly compared
(Could not be found)
You want to live when life is sakenly unfair
(Stick around)
Don’t give up.
De historie van het nummer gaat ver terug, Erlend schreef het nummer voor Röyksopp (die het hier in 2003 al live spelen op Glastonbury), net als Remind Me en Poor Leno, maar dat duo wiste (per ongeluk?) de harde schijf en begon bij 0 voor hun tweede album en gezien de inmiddels bekoelde relatie tussen Erlend en de heren, kreeg het nummer een nieuwe tekst en titel (49 Percent) en een andere zanger. En hoewel het origineel met name in het refrein erg mooi is, moet ik toch concluderen dat de versie van The Whitest Boy Alive veel mooier is.
Daarna volgt wat mij betreft een klein dipje. De muzikaliteit van de band wordt verkend in Done With You, een nummer dat mij niet zo boeit, en worden variaties op het gevestigde thema gespeeld met Figures en Borders om daarna kei hard af te sluiten met twee toppers. Golden Cage is een van de beste nummers op de cd – ook met veel succes geremixed in dansbare vorm. Hier is Erlends stem in topvorm.
So you no longer care if it’s another day?
I guess I have been there, I guess I am there now
You knew what you wanted and you fought so hard
Just to find yourself sittting in a golden cage
Hier overigens de geslaagde Fred Falke remix – duurt ruim 8 minuten maar dan heb je ook wat – en respect om het toch nog melancholisch te laten klinken met vrolijke synthesizers:
Het album sluit af met melancholie: All Ears, een soort liefdesbrief en wederom een nummer dat Erlend al een paar jaar had liggen en later alsnog in een andere versie (met Kompis) werd uitgebracht. Niet de eerste keer en niet de laatste keer, want Erlend heeft er een handje van nummers wat jaren te laten rijpen voordat ze op plaat worden gezet. Dus werd de halve Rules-plaat al live gespeeld voordat er ook maar één nieuw nummer was opgenomen en verschenen er zelfs op die plaat nog nummers die ouder zijn dan de band zelf (afsluiter Island bijvoorbeeld).
Als je, zoals ik, na een paar jaar minder luisteren teruggrijpt naar deze plaat, valt je op hoe ingetogen en intiem de plaat is. Bijna geen cheesy teksten (Can you keep a secret? / No love can be guaranteed, it don’t come with no warranties zijn foute juweeltjes van de tweede plaats, maar niets van dat hier) of maniertjes waarmee Erlend de lachers op zijn hand krijgt, maar wel ruimte voor de essentie van de band. Want uiteindelijk is het allemaal leuk en aardig dat Erlend crowdsurfend door de zaal gaat, er moet ook een set met goede nummers staan. En een band met een verhaal. En dat is dat de Whitest Boy Alive aan het einde van de dag een dromer is, met een heel klein gouden hartje. En daar kunnen best veel hipsters en nerds (en ondergetekende) zich best mee identificeren.
Op 27 februari 2012 keek Stefan toevallig op zijn Last.fm-profiel om te zien welke cd’s hij nu eigenlijk het vaakst had geluisterd sinds 22 september 2004 – de dag dat hij lid werd van de muziekstatistieksite. In de hoop nu eindelijk eens uit te leggen waarom de muziek in kwestie hem nu zo dierbaar is, loopt hij op ditisstefan.nl de top 25 langs.
Later, bij de release van opvolger (en het aanmerkelijk luchtigere) Gossip in the Grain zou Ray LaMontagne zeggen dat hij op Till The Sun Turns Black wel heel veel geduld van de luisteraar had gevraagd. Dat begint al bij de opener Be Here Now. De eerste minuut is bijna uitsluitend voor de strijkers, die zachte, hoge tonen spelen. Daarna begint Rays fluisterstem: don’t let your mind get weary, your will be still, don’t try. Ruim zes minuten duurt de opener en we zijn halverwege de tweede minuut voordat het refrein komt. Het is nauwelijks voor te stellen, maar dit is een single geweest. Het past wel prima in de constructie die hier wordt opgebouwd. Till The Sun Turns Black is een plaat van bezinning en reflectie. Wat we doen is rennen als kippen zonder koppen, zonder stil te staan bij wat we doen en waarom we dingen doen. Op deze plaat reflecteert Ray op zowel zichzelf als de maatschappij. De enige manier om dat over te brengen is een plaat te maken waarbij het grootste deel van de liedjes stil en berustend is. Het is een steengoede plaat, waarbij productie en artiest elkaar ideaal versterken. Zelfs als de plaat af en toe wat te veel in zichzelf keert.
De volgende twee nummers zijn namelijk net zo intiem/intens - for lack of a better word – als de opener. Empty is wat mij betreft een eerste hoogtepunt. Een fijne, kabbelende gitaar en drum, met weer mooie strijkers als aanvulling en Ray die zingt over vervreemding. De tekst rolt over de lippen van LaMontagne en met name het laatste couplet is een absoluut kippenvelmoment:
Well, I looked my demons in the eyes
laid bare my chest, said “Do your best, destroy me.
You see, I’ve been to hell and back so many times,
I must admit you kind of bore me.”
There’s a lot of things that can kill a man
There’s a lot of ways to die
Yes, and some already dead that walk beside me
There’s a lot of things I don’t understand
Why so many people lie
Well, it’s the hurt I hide that fuels the fires inside me
Kijk vooral even deze sessie op BBC Four, alvorens verder te lezen / scrollen:
Om wat meer kleur te geven aan Rays vocalen zingt Rachel Yamagata op Barfly mee. Qua stijl sluit dit nummer perfect aan op de vorige twee: nachtmuziek, na een rustige zomeravond. Er wordt in ieder geval niemand wakker van. Mooie samenzang, dat wel!
Dat geldt overigens niet voor track 4: Three More Days. Een wat luchtigere stomper, dankzij de de blazerssectie die nog meer los zou gaan op Rays derde album (niet in de top 25). Three More Days is simpel, direct: “ik kom bijna naar huis.” En dat mag eerlijk gezegd best na de wat zware opening. Rays stem gaat meer los – daar zaten we ook wel een beetje op te wachten.
Maar alle power wordt meteen teniet gedaan door het prachtige Can I Stay: strijkersintro en een lief Can I stay here with you ’till the morning? als opening. Smeltmomentje. Het nummer wordt gevolgd door het voor mij vrij obligate You Can Bring Me Flowers. Vooral leuk als je meer blazers wil – qua vocalen en gitaar niet bijzonder interessant. Op dit deel vind ik dat de cd af en toe iets te veel traditionele songvormen volgt. Te veel vorm, te weinig functie. Dat geldt namelijk ook voor Gone Away From Me. Maar goed, als de plaat alleen maar filosofisch gestemd was geweest… Dat was vast al helemaal te veel van het goede.
Interessanter vind ik de twee nummers die ernaar komen. Lesson Learned is een bitterzwart verhaal over spijt en verraad, met een mooie Spaanse gitaar in de introductie. Het is extra mooi omdat we Rays vocalen hier als “gekweld” kunnen omschrijven. Dat hadden we nog niet gehoord. Nadat Ray al het leed uit de doeken heeft gedaan, klinkt het bijna sarcastisch: Shall we call this lesson learned?
De titeltrack van de plaat had van mij ook de afsluiter mogen zijn. Qua thematiek vat het nummer de cd prima samen. Althans de filosofische kant waar ik vandaag op hamer.
Can you see the young and pretty
Confident as cops
Blooming, laughing in the shops
Till the sun turns black
Can you see the old and lonely
Walking through the park
Pushing grocery carts
Till the sun turns black
Wat moeten we in een maatschappij waarin we constant maar doen doen doen zonder na te denken, totdat er iets gebeurt wat ons leven verstoort? Ray besluit:
Can you see the wise man simply
Living, loving quietly
Every breath he takes eternity
Till the sun turns black
Zo dus. Perfect einde? Nee, want er volgt nog een “moraal van dit verhaal” in het naadloos aansluitende Within You waarin de enige tekst is:
War is not the answer
The answer is within you
En:
Love
Wat mij betreft had dat iets subtieler gemogen, maar goed, het koppelt wel de liefdesliedjes en de maatschappijkritiek op de plaat elkaar. Reflectie en bezinning – door liefde. Daar gaat het volgens Ray om. Een steengoede luisterplaat en terecht in mijn top 25. Luisteren dus. Tien keer beter dan God Willin’ & The Creek Don’t Rise uit 2010. Jammer genoeg. Dit lijkt het hoogtepunt uit het oeuvre van LaMontagne te zijn. Ik hoop dat er in de toekomst toch nog een grote hoogtepunt bij komt…
Op 27 februari 2012 keek Stefan toevallig op zijn Last.fm-profiel om te zien welke cd’s hij nu eigenlijk het vaakst had geluisterd sinds 22 september 2004 – de dag dat hij lid werd van de muziekstatistieksite. In de hoop nu eindelijk eens uit te leggen waarom de muziek in kwestie hem nu zo dierbaar is, loopt hij op ditisstefan.nl de top 25 langs.
13: Tom McRae – Just Like Blood (2003)
Ik ben ervan overtuigd dat je jezelf een paar keer tegenkomt in je leven. Dat je even een pas op de plaats moet maken, moet evalueren, voordat je weer door kunt. Ik had dat in 2003 – en een tijd geleden had ik het weer. Hoewel de muziek van mijn favoriete band me zeker heeft geholpen in die tijd, is er nog een album dat een belangrijke rol speelde bij het onder controle krijgen van mijn toenmalige stress en paniek. Op het forum van mijn favoriete band kreeg ik mailcontact met een aantal fans. Een daarvan kwam uit Schotland en kende mijn problemen – had er zelf ook vaak last van gehad. Ze bleek uiteindelijk niet echt te vertrouwen te zijn (les 1: kinderen, kijk uit met wat je tegen wie zegt op internet) en toen ze me vorig jaar herkende bij een concert in Schotland – zes-zeven jaar na ons laatste mailcontact – bleek ze ook nog een zielige vrouw op leeftijd te zijn geworden. Ik heb haar na twee minuten afgepoeierd en ben bij de leuke mensen gaan staan, met wie ik had afgesproken.
Maar goed, zij tipte me dus wel Tom McRae en dat is op zich dan wel weer aardig. Daar heb ik immers vandaag nog steeds plezier van. Zoals ik in mijn vorige stuk over Tom schreef, maakte ik kennis met McRae via een vijftal liedjes van de eerste twee platen van McRae. Van dit tweede album waren dat: Ghost of a Shark, You Only Disappear en Stronger Than Dirt. Als ik deze liedjes hoor, moet ik denken aan ‘s avonds laat nog een paar potjes Jewelz via MSN spelen. Ik heb McRae’s muziek altijd al met de avond geassocieerd, met tot rust komen en nog snel een brief schrijven voordat de brievenbus wordt geleegd. Nu nog steeds, althans, vooral Just Like Blood, omdat dat de eerste cd was die ik kreeg.
Just Like Blood heeft meer gitaareffecten, meer productie dan de debuutplaat. Daardoor is de plaat op het eerste gehoor misschien wat interessanter. Je moet nog steeds goed luisteren, maar het geheel is net iets rijker dan alleen maar getokkel. Dat begint al op opener A Day Like Today. Geen gitaar opent de cd, maar een soort klokkenspelachtig instrument waarvan ik altijd vergeet op te zoeken wat het is. Het nummer zelf is een lied wat tegelijk frustratie en liefde uit (I wish that I could comfort you, if love is our defense, thought that I could comfort you, if you let me, I could love you to death).
Een van de dingen die ik altijd al tof heb gevonden aan McRae is de manier waarop deze cd begint en eindigt. De cd’s van McRae eindigen altijd met een sterke laatste zin (op All Maps Welcome: I guess I’ve said it all, op King of Cards: Lord, how long? en op de debuutplaat: yeah I was born in a summer storm, I live there still…). Je kunt er bijna altijd een vraagteken of drie puntjes achter zetten. Of allebei. Hier komt dan bovendien nog bij dat de cd ook nog een mooi begin heeft. Tom is bejubeld door de pers, maar niet doorgebroken, heeft clips gemaakt, singles uitgebracht, maar is geen wereldster. Toch een tweede plaat met een deal bij een grote maatschappij en hoe begint deze tweede cd?
“Welcome back,” says the voice on the radio
But I never left, I was always right here.
Mijn favoriete cd-opener ooit, omdat hij Toms cynische humor zo goed vangt. In het manuscript dat ik al een paar jaar schrijf, heb ik dan ook een verwijzing naar deze regels verwerkt.
Just Like Blood is ondanks de rijke productie een van de “zwartste” cd’s die ik heb. Dit is geen vrolijke cd, maar dat was ook niet waar ik naar zocht toen ik hem opzette. Track 2 en 3, normaal de plekken voor de hippe singles, zijn donkerder dan donker. You Only Disappear: (Baby I’ll call up a storm, keep you safe from harm… But you only you only disappear). Meteen gevolgd door mijn favoriete Tom McRae-liedje, het eerste nummer waarbij het “klikte”:Ghost of a Shark:
I’m gonna leave any minute
See the skyline disappear
Head out of the city
Burn my clothes bury my fears
Oh you will never know I was here
Tell me now is there difference
Between a shark and the ghost of a shark
‘Cause all I have are secrets and memories of the dark
Oh rip away the skin burn my heart
Dit alles gespeeld in een simpele structuur met een wonderschone gitaartokkel, die bij de herhaling van de tekst wordt ondersteund door een simplistische maar goed ondersteunende drum en een slidegitaar. Hoogtepunt. Iedere keer kippenvel. Iedere keer.
Stronger Than Dirt is iets steviger – het nummer rockt bijna en hoewel het ook zijn breekbare momenten bevat, is het over het algemeen een nummer over survivalinstinct, in mijn optiek dan.
Er staan twee nummers op de cd waarbij het kwartje pas laat viel. Eén daarvan is Overthrown, waarbij er zoveel effect op de zin “I should leave” zit, dat ik altijd “Alsjeblieft” hoor. (luister hier) *grinnik* Verder een mooi nummer hoor, maar niet zo mooi als Walking 2 Hawaii. Een liefdeslied over het einde van de wereld, dat kan alleen Tom McRae zo schrijven. Het tweede hoogtepunt op de cd, wat mij betreft, mede dankzij het mooie openingscouplet.
Falling feels like flying
Till you hit the ground
& everything is beautiful
Till you take a look around
So let it go…
Over dit nummer kan ik boeken vol schrijven, maar u kunt het veel beter zelf luisteren… And as the air slips from our lungs, we’ll sing songs – of love.
Kippenvel, iedere keer.
Wat nog volgt is onder andere het verguisde Karaoke Soul, door veel fans in eerste uitgespuugd als te commercieel en te veel effectbejag. Toch horen we hier thema’s en frasen die kenmerkend zijn voor het werk van McRae – over de maakbaarheid van de huidige maatschappij. Er zit agressie in, frustratie, wanhoop en eindigt in een soort mantra: faith is gone and love is gone and fear is strong and… etc. etc. Wat ik vooral waardeer in het nummer is dat Tom zich even helemaal laat gaan. Zelfs in de video – niet het hoogtepunt van creativiteit – lijkt het alsof hij zijn woorden spuugt en het meent:
Zoals ik al eerder zei, waardeer ik de manier waarop McRae de cd afsluit… Met een beschouwing, reflectie op het menselijk bestaan en de vergankelijkheid, met een gitaarpartij die een beetje lijkt op Everybody Hurts, maar dan met de extra subtiele drum en instrumentatie die we ook al op Ghost of a Shark hoorden.
It’s strange how through time we look the same
Your eyes and mine – looking away
Too scared to see, human remains
And soon enough, this will all be a memory
Soon enough, this will fade like a photograph
Of you and me
Uiteindelijk lijkt McRae hier te zeggen dat hij het zelf ook niet allemaal weet, al roept hij af en toe van wel (in Karaoke Soul riep hij nog stoer let me treat you for your disease), en dat het allemaal wel zijn plek zal krijgen. Aan de hand van de metafoor van de verbrande foto begint het nummer, en eindigt het ook. We zien er nog hetzelfde uit, maar onze gevoelens, onze leefwereld en onze houding naar elkaar is veranderd. Relaties gaan uit, mensen gaan verder. En je ziet het nu op die verbrande foto allemaal weer voor je.
The picture is burned at the edge
And you’re looking away
Looking for what’s next
Tell me what’s next
Op 27 februari 2012 keek Stefan toevallig op zijn Last.fm-profiel om te zien welke cd’s hij nu eigenlijk het vaakst had geluisterd sinds 22 september 2004 – de dag dat hij lid werd van de muziekstatistieksite. In de hoop nu eindelijk eens uit te leggen waarom de muziek in kwestie hem nu zo dierbaar is, loopt hij op ditisstefan.nl de top 25 langs.
14: Ray LaMontagne – Trouble (2004)
Eind 2002 meldde ik me aan op het Turin Brakes forum om mijn Engels te verbeteren en omdat ik fora’s leuk vond. Op het Turin Brakes forum werd een hoop geleuterd en zeker niet alleen over de band. Nee, het was ook een goede plek om nieuwe muziek te ontdekken. Dankzij Turin Brakes stuitte ik onder andere op Tom McRae. En op een dag werd deze cd getipt, ergens in de zomer van 2004. De “debuutplaat” van Ray LaMontagne (later zou blijken dat hij ook nog enkele demo’s had opgenomen) was volgens de poster een van de mooiste platen die ze dit jaar had gehoord. Dat was niet zo’n grote prestatie, aangezien er dat jaar geen cd van Turin Brakes verscheen, maar toch leek het me wel wat, die plaat. En ik durf nu niet meer te zeggen of ik hem heb gekregen of heb gekocht. Er staat me iets van bij dat ik hem bij Kroese heb gekocht, maar dat kan ook best een van de latere platen van de man zijn geweest.
In ieder geval: Trouble dus. De plaat deed niet zoveel met me op het eerste gehoor. Aparte stem, verder erg Amerikaanse muziek, maar geen impact. Wanneer die wel kwam, weet ik niet, maar in ieder geval nog ver voor het verschijnen van opvolger Till The Sun Turns Black. Want daar wachtte ik op een zeker moment vol verwachting op. Later zou LaMontagne een radiohit scoren met You Are The Best Thing (vol blazers en achtergrondzangeressen), maar wie met dat referentiekader verwacht dat Trouble in het zelfde straatje thuishoort, komt van een koude kermis thuis. Trouble is een introverte plaat, al ligt dat niet aan de opener en titeltrack, waarin LaMontagne zijn nu al legendarische uithalen ten toon spreidt. Het is indrukwekkend, het is zwaar en het is echt. Trouble been dogging my soul since the day I was born. Het is geen woede, het is gewoon acceptatie: problemen horen er nu eenmaal bij en soms word je gered (by a woman). Trouble is geen album vol verslagenheid, maar wel meewarigheid, misschien.
De reden waarom de plaat wellicht nog niet meteen diepe indruk maakte, is de sterke openingstrack. De rest van de plaat is van een ander kaliber. Niet minder, ook niet meer, maar gewoon anders. Shelter - track 2 – is daar het ultieme voorbeeld van. Het is een romantische geschiedenis, met rokerige drums (jawel) en subtiele gitaarriffs. Hold You In My Arms begint als een matig gitaarliedje, maar voor je het weet – dankzij de lekkere dynamiek in het refrein – heeft het nummer je te pakken en zijn er dik vijf minuten voorbij.
Dit debuut is het resultaat van een nauwe samenwerking tussen producer Ethan Johns en Ray LaMontagne. Ethan Johns koos voor een rijke productie: strijkers, drums die natrillen en waar nodig gastvocalen. Maar die rijke productie is wel helemaal aangepast aan de stem van Ray LaMontagne: de echte details hoor je als je pas echt luistert met een hoofdtelefoon op, bijvoorbeeld. Dat geldt des te meer op Narrow Escape en het veel spaarzaam georkestreerde Burn.
Het zijn de afsluitende vier nummers die me acht jaar na het verschijnen van de cd het meest boeien – en die ook het meest diverse beeld. Hannah is een pareltje van een verhaal, zoals LaMontagne die nog vaak zou schrijven. How Come bevat daarentegen maatschappijkritiek – op de subtiele wijze die LaMontagne typeert. Jolene is het vervolg – een nummer met een weariness van een zanger die old before his time is. Alsof van halverwege vorige eeuw stamt, Jolene, en niet uit 2004. Datzelfde geldt eigenlijk voor afsluiter All The Wild Horses. Kippenvel. Gedeeld leed, biedt LaMontagne. Mensen zeggen wel eens dat je problemen als uitdagingen moet zien. Maar soms is het gewoon fijn om problemen even problemen te laten. Voor die momenten biedt LaMontagne hoop. Met zijn legendarische stem.