[Bodešče] 7: De top bereikt

Naar mate de tijd vordert en dit verslag niet afkomt, wordt de hoeveelheid fictie – of in ieder geval nog sterker gekleurde non-fictie – steeds groter. Het is dan ook op zijn zachtst gezegd dubieus dat ik nota bene november en – laten we eerlijk zijn – waarschijnlijk ook december nog loop te vertellen over een vakantie die in augustus plaatsvond. Weliswaar grotendeels de tweede helft van augustus, maar, toch: augustus. Ik heb wel wat notities liggen, maar dat zijn trefwoorden. Bovendien houden die notities na de 16de (de aflevering van vandaag) op. Steeds meer details veranderen in gevoelens. Het lijkt me dan ook voor alle partijen beter om het nu snel af te ronden. Ik ga het in ieder geval proberen.

Dinsdag 16 augustus 2011

Blessures ten spijt is het vandaag zo ver. De reden waarom Mischa en Knoert meegingen op deze vakantie was het vele wandelen. En weliswaar hebben we al flink wat gewandeld, we hebben nog niet de uitdagende verkenningen door de natuur gedaan waar de heren op hadden gehoopt. Vandaag hebben we echter een aardig compromis: we gaan vandaag de bergen in en omhoog lopen. Klimmen is een te groot woord, maar we gaan wel een behoorlijke stijging inzetten.

De berg in kwestie is de Sleme, ruim twee kilometer hoog en dus voor Nederlandse begrippen HEEL ERG hoog. Je kunt natuurlijk nog veel hoger klimmen, maar deze wandeling zou voor iedereen te belopen moeten zijn en toch mooie uitzichten moeten opleveren. Voordat we zover zijn, klimmen we eerst honderden meters met de auto. Dat gaat met behulp van haarspeldbochten omhoog. In totaal nemen we vandaag meer dan vijftig bochten op heen- en terugweg. Maar dat stuk hoeven we dus alvast niet meer te lopen. Op het hoogste punt van de weg parkeren we de auto en vervolgen we de weg omhoog. Die ziet er zo uit:

De weg omhoog is niet echt gevaarlijk, al worden mensen met hoogtevrees (‘Hoi!’) af en toe wel een klein beetje op de proef gesteld, zo zonder reling of houvast. Dodelijke ongelukken blijven uit en langzaam stijgen we naar de top en een mooi uitzicht.

Ik moet toegeven, het uitzicht is prachtig en er zitten hier weinig insecten. De top heeft wel één nadeel. Die wordt namelijk – blijkens de uitwerpselen – regelmatig als geitentoilet gebruikt. Hoe fris de berglucht dan ook mag ruiken, de geitenstront ruikt nog net iets meer. We besluiten dan ook niet op de top the lunchen, maar een tiental meters lager, waar een grote weide is vol vlinders (en een gastenboek). De ware bioloog van ons groepje wordt dan ook wakker:

Na de lunch zetten we de afdaling in en als we bij de auto zijn wordt er overlegd of we ergens anders nog zullen gaan wandelen. Daar is niet iedereen even groot voorstander van, dus wordt de afdaling ingezet. De andere kant van de berg, want die hebben we nog niet bereden.

Na een hoop haarspeldbochten rijden we langs een beekje met zo’n wit water dat we er besluiten te stoppen. Het water stroomt hier behoorlijk goed door en het is niet alleen kalkwit, maar ook kalkkoud. Koud dat het pijn doet aan je blote voeten als je erin gaat koud… Dat is inderdaad koud dus. Maar het is ook heel erg verfrissend en dus zitten we hier nog een uurtje in de zon. Het is een moment waarop ik me de fijne kanten van deze vakantie ervaar. We zijn met zijn vijven in een mooi land, met mooi weer en we hebben het naar onze zin. Een Hoogtepuntje (H’tje) dus.

Maar na een H’tje volgt een Dieptepuntje (D’tje): de reis terug voert namelijk via Italië. Dat is namelijk de consequentie van via de andere kant van de berg terugrijden. En dat is aanzienlijk om, ja. En misschien is dat wel heel leuk om te rijden, maar niet noodzakelijkerwijs ook om achterin te zitten terwijl je langzaam honger begint te krijgen. Ik weet nog dat we met de gedachte speelden om fast food te nuttigen, maar ik weet ook vrij zeker dat we dat niet hebben gedaan. Ik weet alleen niet meer zeker wat we die avond wel hebben gegeten, maar het was vast lekker en we hadden ook vast honger na zo’n inspannende maar fijne dag. Dat is alles wat ik er over kwijt kan, volgens mij.

Wordt vervolgd op korte termijn, hopelijk.

[Bodešče] 5: Cultuur snuiven kan ook binnen

Zaterdag 13 augustus 2011

De tweede volle dag in Bodešče wordt in relatieve rust doorgebracht.  Ik ben ook op vakantie om uit te rusten en Erwans blessure blijkt dusdanig pijnlijk dat een lange wandeltocht te hoog gegrepen is. Tellen we één en één bij elkaar op, dan resulteert dat dus in een rustige dag.

Ik probeer een paar bladzijdes in A Visit From The Goon Squad van Jennifer Egan te lezen. Daar was ik nog niet zo veel aan toegekomen (en ik zou er ook niet zoveel meer aan toekomen), maar vandaag dus heel even wel. Ik heb ook nog Great Expectations bij me, maar daar zou ik niet eens in beginnen. Dit is duidelijk geen leesvakantie. Vandaag gaan we proberen te picknicken.

We rijden naar een wonderschoon meer omringd door bergen. De harde kern van Pimfandischasjo stapt vast uit terwijl Kürt en Mischa de auto parkeren. We zijn namelijk niet de enigen die het meer mooi vinden. Er zijn hier relatief veel toeristen – al gaat het wat ver om te zeggen dat het zwart van de mensen ziet. Erwan strompelt naar een plek op het gras, later lopen we nog iets verder naar een beschutte plek. Onderweg hebben we boodschappen gedaan. De lunch smaakt goed.

Het is niet de zonnigste dag van de vakantie – als de zon achter de wolken is – is het meer zelfs behoorlijk fris (maar niet het koudste water puntje puntje puntje – waarover later meer). Aangezien sommige van ons hun voeten al hebben opengehaald aan de Adriatische kust, worden de rotsen niet met open armen onthaald, maar Mischa kan de duik niet weerstaan als de wespen tijdens het lunchen op zijn lip gaan zitten en zelfs zijn neusgat in willen kruipen. Dan is het water ineens minder koud.

Als de lucht begint te betrekken, lopen Mischa en ik terug naar de auto en halen we vervolgens Erwan en de rest op. We rijden terug en doen wederom boodschappen. We scoren Cornetto-ijsjes en regelen het avondeten. De suggestie van Sjoerd is Jacked Potatoes. Dat was geen slecht idee. Het duurt alleen even voordat ze klaar zijn, dus zappen we alle kanalen van de televisie af.

Misschien is het wel de schuld van de televisie. We hebben de beschikking over twee televisies, één in iedere slaapkamer. Bij de grootste tv staat een relaxte blauwe stoel die je na achter kunt klappen. De stoel is één van mijn favoriete plekken van deze vakantie. Na een uitputtende wandeling is het heerlijk om languit in de stoel te gaan zitten en gewoon eens hersenloos langs alle zenders te zappen.

Populair zijn de afleveringen van The Crocodile Hunter deze vakantie, dagelijks op de Sloveense Animal Planet - die, zeker vergeleken met de huidige productiestandaarden op Discovery – nogal gedateerd aandoen. Daardoor zijn ze echter niet minder vermakelijk.

Slovenië beschikt ook over een eigen MTV. Deze zender is net als de Nederlandse variant volgepropt met tv-series van Amerikaanse bodem, maar zo af en toe wordt er tijd ingeruimd voor muziek. De muziekcollectie is vrij eclectisch van aard. Soms worden zomaar drie gedateerde nummers van The Strokes gespeeld, waarna Moves Like Jagger en Inna’s Club Rocker ineens langskomen. En Linkin Parks cover van Someone like you van Adele, die staat nogal op high rotation.

MTV.si heeft bovendien de vervelende gewoonte om voor én na ieder reclameblok (dus om de drie liedjes / 15 minuten) eerst één van de vijf verschillende programmatrailers te laten zien en vervolgens tot drie keer toe verschillende MTV-idents in beeld te brengen. Dat is ongeveer hetzelfde als “U KIJKT NAAR MTV! EN… U KIJKT NAAR MTV… EN…. U KIJKT NAAR MTV!!!!!!!!!111!!!1″ En dat is uiteraard los van het MTV-logo dat tijdens de programma’s al in beeld komt.

Het is ook niet MTV die de boeiendste clips uitzendt, als we eerlijk zijn (hoewel Club Rocker van Inna gewoon een ijzersterke clip heeft). Er zijn andere zenders die dagelijks zo rond de klok van zes uur overschakelen op muziekclips, maar dan van Sloveense bodem (en omgeving). Daar zaten veel Lady Gaga-imitaties tussen en een hoop freaky volksmuziek, maar een aantal juweeltjes springen eruit.

Allereerst daar de Sloveense kruising van Ali B en Weird Al Yankovic. Onder de veelzeggende naam 6pack čukur (ja, echt, 2pac…) rapt deze rapper over wat vermoedelijk een wilde stapavond is (ik interpreteer “sluk sluk alcohola” hier als “slok slok alcohol”) in zijn hippe retro Opel. De intro duurt ruim een minuut, maar daarna beginnen de sick beats en briljante rhymz van 6pack. Let ook op de Nederlandse vlag op zijn shirt (geen idee van welke club trouwens, ik neem aan Amerikaans?) en de referenties naar Heineken in de tekst van het nummer.

Daarnaast komt de Sloveense kinderster (denk ik) Nika Manevski, met de soundtrack van de film Gremo mi po svoje (vrij vertaald door Google Translate met ‘Ik ga mijn eigen weg’) regelmatig langs. Haar nummer heet Vsak po svoje wat ik zou vertalen met ‘Ieder voor zich’ (na de vertaling ‘Ieder zijn eigen’ van Google Translate te hebben uitgelachen).

De clip is niet alleen universeel hilarisch, de film lijkt me ook nog eens best leuk. Als het een Nederlandse film zou zijn geweest zou die niet boeiend zijn (want een clichématige zomerkampfilm), maar dit is een Sloveense film en dus een must-see. De kampbegeleider – die ook in de clip een hoofdrol als comic relief heeft – is hilarisch. Dat de clip bovendien een vrij waarheidsgetrouwe indruk geeft van de schoonheid van de Sloveense natuur, is voor dit verslag alleen maar mooi meegenomen.

De avond wordt weer vol spelletjes en goede gesprekken doorgebracht. Bovendien gaan we discussie over Erwans blessure aan. Kunnen we wel of niet gaan wandelen? Uiteindelijk besluiten we om de volgende dag Ljubljana te bezoeken. Dan hoeft Erwan niet zo’n uitdagend terrein te bewandelen en zien we wel weer een deel van Slovenië dat we wilden bezoeken. Erwan is bovendien optimistisch dat zijn enkel er wel weer bovenop komt, zodat we maandag weer echt kunnen gaan wandelen. Waarover later meer.

Bovenstaande foto werd gemaakt door Mischa.

[Bodešče] 4: Wespen aan de wandel

Vrijdag 12 augustus 2011

Er is niets beter dan na een goede danwel redelijke nachtrust dan een lekkere douche en een net zo lekker ontbijt op ons balkon. Ten minste, dat zou je zeggen.

Eerst de douche.

De douche is aan de krappe kant, waardoor je continu het gevoel bekruipt dat het gordijn tegen je kont aan plakt. Wat ook het geval is. De vraag ‘heb ik nu een dikke kont of is de douche gewoon klein?’ moet door ons aller hoofden zijn gegaan. Beide onderdelen zijn ook vast met ‘ja’ beantwoord. Dat de douche klein is, wordt goedgemaakt door de waterdruk en de douchekop. De kracht van de straal benadert namelijk die van een hogedrukspuit. Dat had ik dan weer niet verwacht. Onhandig aan de kracht van de straal is dat de kans op een natte badkamervloer groter is.

Het ontbijt.

Tsja, daar heb je dan lekker brood gekocht, heerlijk beleg – zowel zoet als hartig. Het weer is prima, dus wagen we een poging om te ontbijten. Maar we zitten nog geen minuut buiten of de wespen vallen aan. Massaal. Nu ben ik niet zo van de wespen en ik besloot al vrij snel naar binnen te verkassen. Niet lang daarna werd het ook de rest te gortig. De wespen zijn hier en masse aanwezig. Niet echt mijn idee van genieten in de buitenlucht. Binnen wordt het ontbijt voortgezet. Alle andere ontbijtsessies zullen ook binnen plaatsvinden. Jammer eigenlijk.

Dat betekent echter niet dat we de hele dag binnen blijven zitten. Vandaag gaan we de omgeving verkennen. We lopen de route langs twee riviertjes waarvan de avond ervoor al een klein stukje hadden gezien. 12,5 kilometer – maar door wat omlopen komen we uiteindelijk rond de 15 uit – in een heuvelachtig, maar niet al te veeleisend parcour. Ik was een beetje bang dat ik uitgeput zou raken, maar het is vooral het warme weer dat lastig lopen blijkt, niet zo zeer de wegen die omhoog en omlaag gaan. Bij het eerste riviertje is het tijd voor een groepsfoto in de serie Pimfandischasjo op bruggen:

We lopen door pittoreske dorpjes zonder veel commerciële activiteiten en passeren talloze altaartjes en kruispunten. Na enkele uren wandelen komen we in Ribno aan, waar we – zo hebben we al gezien – een zeer bijzonder restaurantje is (en een Honda-dealer): Taberna pri Stefanu.

Gezelligheid kent geen tijd, maar de ‘taverna’ blijkt niet tijdens de lunch geopend. Dus lopen we door waar we een ijsje kopen in een winkel. We hadden duidelijk sjans (het meisje bij de kassa was verbaasd dat we géén bier kwamen kopen) en het ijsje was lekker – zeker na enkele uren wandelen.

Maar stilstaan is achteruitgang, dus vervolgen we onze route (in de richting van de touringcar op de foto) naar Bled. Daar aangekomen – onderweg worden enkele vlinders gefotografeerd – vinden we wat beschutting tussen de huizen (een welkome afwisseling na het boerenlandschap waarin we na de tavernapauze door hebben gelopen) en kopen we lunch. We eten bij het meer van Bled, waarna we teruglopen naar ons huis.

Althans, dat dacht ik even.

Er blijkt namelijk nog een afbuiging in de route te zitten die naar het andere riviertje gaat (de Sava) dat we nog helemaal niet hebben gezien. De weg naar het riviertje is prima te doen, maar vervolgens worden we nog een dikke heuvel op gestuurd die bijzonder matig bovenop de 13 kilometer komt die we er toen al op hadden zitten. Dat had wat mij betreft niet meer gehoeven, maar toch ben ik niet helemaal dood als ik boven aankom. Ik loop zelfs niet achteraan:

Als je maar doorloopt, is best veel te overleven. En de omgeving is mooi, dat maakt veel goed.

Als we weer bij ons huis uitkomen, ben ik wel even toe aan pauze. Dus pak ik mijn boek om te lezen, terwijl de andere jongens gaan voetballen. Helaas niet zonder blessures. Erwan verstapt zich bij een vast flitsende acties (de exacte details kan hij u zelf vertellen in de reacties), wat een omgezwikte enkel tot gevolg heeft. De rest van de vakantie zal hij hier last van hebben, maar dat weten we op dat moment nog niet.

Die avond bakken we Hollandse pannenkoeken. Na een wat twijfelachtig recept te hebben geraadpleegd voor de exacte verhoudingen van de ingrediënten (Koopmans Pannenkoekenmix is blijkbaar geen exportproduct), komt het beslag er uiteindelijk best aardig uit te zien. En de pannenkoeken zelf ook. Genieten!

De avond brengen we door met spelletjes als Klaverjassen (gewonnen), Klootzakken (heel vaak gewonnen) en Shithead (niet gewonnen). Ook ontdekken we Sloveense televisie. Met name de Sloveense MTV en haar concurrenten kunnen mij bekoren (daarover morgen mééér).

De foto’s in dit bericht zijn gemaakt door Pim. Mischa en Sjoerd hebben ook foto’s gemaakt, die wellicht in volgende edities nog de revue zullen passeren. 

[Bodešče] 3: Slovenië voor beginners

Donderdag 11 augustus 2011

Het is vroeg wakker worden vanmorgen, al redden we de ingeplande tijd van half acht niet allemaal even optimaal. De koffie lokt me naar de keuken. Koekjes zijn er ook weer. Gisteren hadden we een semi-Italiaans ontbijt, maar vandaag gaan we full-on Italiaans, qua hoeveelheid. Dit komt vooral het tijdgebrek. We willen niemand voor de voeten lopen en proberen zo goed en zo kwaad als het gaat aan tassen in te pakken, spullen te verzamelen en zoveel mogelijk koekjes naar binnen te proppen. Op een lege maag rijden is immers ook niet alles.

We nemen afscheid van Patty, haar vriend en Stefano en rijden naar het hostel. Dit keer zijn we ruim op tijd en zijn Erwan en Knoert te laat. De omgekeerde situatie van de vorige ochtend. Weten zij ook hoe dat voelt. Twee minuten achter op schema (ik zei niet dat ze VEEL te laat waren) rijden we gevijven door Triëst. We rijden langs het mooiste plein van de stad, wat er bij daglicht dus mooier uitziet.

We gassen door richting de Sloveense grens. We blijven ons verbazen over de verkeersborddichtheid van de Italiaanse wegen. Less is more, zegt men wel eens en volgens mij kijken de Italianen niet eens op die borden. Voor ons zijn ze vooral verwarrend. We stoppen onderweg bij een tankstation om een vignet voor de Sloveense wegen te kopen. Met een roze sticker op de vooruit rijden we door.

Wanneer we de Sloveense grens passeren is de overgang groot. Het aantal borden is tot normale verhoudingen teruggebracht en mensen lijken ook normaler te zijn gaan rijden. Win-winsituatie dus. Met minder gevaar op de weg, lijkt het verstandig om een cd in de speler te doen. Mischa heeft een mix-cd gemaakt (Bleed, bled, Bled), maar we beginnen vandaag met één van de drie cd’s die ik in mijn tas heb gestopt (Fountains of Bled).

Omdat niet iedereen de depri klanken van mijn dagelijkse smaak kan waarderen, heb ik mijn cd gebaseerd op het meer toegankelijke palet van mijn muzieksmaak. Fountains of Wayne hebben recent een nieuwe cd uitgebracht en ik heb de leukere liedjes van die cd geplukt. Die heb ik aangevuld met werk van onder andere Portugal The Man, Jens Lekman, KT Tunstall, Bon Iver, Beirut en To Kill a King. Achteraf gezien moet ik concluderen dat acht liedjes Fountains of Wayne misschien wat veel was, maar over het geheel genomen ben ik niet ontevreden over de mix dit jaar. De gevatte teksten van de Fountains doen het goed en ook Jens Lekman heeft zich op zijn nieuwe nummer An Argument With Myself laten gaan (The lonely light from the town hall clock tower / Chime of the bells striking 1, 2, 3 /and it took shape in the form of an image in the form of a living memory). Gekke Jens. Het liedje is HIER gratis te luisteren.

Enfin, het duurt niet lang voordat we aankomen bij de eerste bestemming van vandaag: Piran. De overgang van het drukke Triëst naar dit kuststadje net over de Sloveense grens is groot. Hier parkeert niemand in het centrum: dat is vrijwel geheel autovrij. Nee, in plaats daarvan een zeven verdiepingen tellende parkeergarage en een bus naar het centrum. Wij zijn geen watjes en lopen naar het stadje. Dat blijkt prima te gaan via de boulevard en wat steegjes.

Piran is geen wereldstad. Er wonen krap 17.000 mensen en het stadje heeft meer weg van een filmset dan een moderne stad. Krappe steegjes waar je met de scooter door kan rijden, maar we zien nauwelijks mensen rijden. Gezellige pleintjes met kraampjes en kerken en kleine huisjes met schilderingen en doorkijkjes. Een verademing. Bekijk op de Wikipedia-pagina een panorama van de kustlijn.

Misschien denkt u: ‘Piran, Piran, waar ken ik dat toch van?’ Nou, het stadje heeft een rijke historie en is regelmatig in Italiaanse, danwel Veneziaanse handen geweest. Toen het onderdeel was van de Republiek van Venetië werd de Italiaanse violist en barok-componist Giuseppe Tartini er geboren. Naar deze man werd het Tartiniplein vernoemd en een groot standbeeld siert het toch al fraaie plein verder op.

Wij wandelen van dit plein naar het hoogste punt van het dorp – waar een niet voor publiek toegankelijke kerk staat – en vervolgens via de boulevard met een ijsje (als ontbijt dus) en de nauwe straatjes terug naar dit centrale plein. Onderweg kopen we nog wat fruit, welke we op dit plein opeten, genietende van de ochtendzon. Daarna wandelen we terug naar de auto, want hoe mooi Piran ook is, het is niet onze eindbestemming.

Rakek is dat trouwens ook niet, maar ja, we moeten nu echt een keer iets fatsoenlijks eten. Na hartelijk te hebben gelachen om de Sloveense plaats Logatec (Sponsored by) nemen we de eerstvolgende afslag op zoek naar een supermarkt. Dat blijkt zo makkelijk nog niet maar Rakek heeft een dorpswinkel annex supermarkt waar we lunch kopen. Het brood van deze Mercator-winkel blijkt voortreffelijk. Ik moet ook behoorlijk nodig naar de wc, maar word in de rock ‘n rollkroeg geconfronteerd met een vrouw die geen woord, maar dan ook echt geen woord Engels kan. Uiteindelijk zie ik het bordje W.C. en door ernaar te wijzen wordt mijn boodschap blijkbaar duidelijk. Het is goed. Bonus: eerste WiFi-hotspot die ik tegenkom, dus meteen een mooie gelegenheid voor wat foto’s van de prachtige omgeving.

 

(Overigens zijn de plaatsnamen in Slovenië soms best verwarrend, het kan dus best voorkomen dat ik de verkeerde plaatsnaam hier opschrijf en dat ik hierop word gewezen door mijn reisgenoten. In dat geval zal ik de naam stiekem veranderen in de goede naam)

Na een bijzonder geslaagde lunch – hoewel geconfronteerd met de eerste wespen van de vakantie – rijden we met hervonden enthousiasme door richting Bled. We zijn inmiddels van cd gewisseld. We genieten van de hoogtepunten uit het oeuvre van Taylor Swift. Een erg geslaagde mix van leuk werk, al zeg ik het zelf, en de cd zal nog vaak in de speler in onze Peugeot worden gestopt.

We vervolgens onze weg naar het noorden en passeren enkele indrukwekkende bergen op de weg. We zijn deze vakantie nog niet echt verkeerd gereden (dankzij TomTom). Nu hebben we de TomTom ingepakt gelaten om met onze navigatieskills de eindbestemming te bereiken. Afslag Bled is dus een mooi moment om verkeerd te rijden. We worden daarbij geholpen door de borden, die pas op het aller-, allerlaatste moment aangeven dat de afslag OOK in de richting van Bled is. Dus rijden we een stuk door en draaien dan om.

Naar mate we dichter bij Bled komen, wordt het drukker. Bij het binnenrijden van Bled doet het zelfs Zuid-Frankrijk-achtig aan… Veel Nederlanders, allemaal in de file. Het is hier nog toeristischer dan verwacht. Niet dat we daar per se op spugen, maar het is natuurlijk extreem vet als je gewoon gezellig kunt kletsen over de rare mensen om je heen in het Nederlands. Gelukkig zitten wij niet in Bled zelf, maar net daarbuiten en nemen vlak na het binnenrijden van het stadje de weg linksaf. We verlaten de toeristische file en de bebouwde kom en volgen de weg. Met een beetje geluk komen we in het dorpje waar ons appartement staat: Bodešče.

Bodešče is zo’n dorpje dat wel meerdere straten heeft (drie) maar geen straatnamen. Alle huizen zijn genummerd. Nou, dan weet u wel hoe laat het is. Met wat zoekwerk stoppen we uiteindelijk bij een huis waarvan we denken dat het het onze is. Door een gezellig (lees: wat gezette) Sloveense boerenvrouw worden we verwezen naar het volgende huis. We rijden iets door en jawel: de “kindvriendelijke” tuin, de parkeerplaats en een lachende vrouw die verdacht veel lijkt op de vrouw die ons net de weg wees, doen ons vermoeden dat we nu wel goed zitten. Verder komt Bodešče ofwel over als een idyllisch dorpje, ofwel een dorpje waar Nazi-Duitsland naar toe is gevlucht en ‘s nachts ontwaakt om niets-vermoedende toeristen te ontvoeren. Een soort kruising tussen Hot Fuzz en het begin van Inglorious Basterds dus. Het zullen de Alpen op de achtergrond wel zijn…

Knoert heeft vooral contact gehad met haar man, die goed Engels spreekt, maar Katharina (of iets wat daar op lijkt) spreekt zelf bijzonder slecht Engels. Haar Duits is echter vloeiend, ten minste, als je “Bett? Gut?” en “Zimmer? Gut?” vloeiend wil noemen. Het blijkt voldoende om met haar te kunnen communiceren. Ze laat ons de bovenverdieping van het huis zien. De onderverdieping is voor onze huisbazen zelf. Als ze eenmaal onze gegevens heeft genoteerd mogen we onze bagage uit gaan laden, maar niet voordat we een doorzichtig drankje getiteld Slivovitz hebben weg ge-ad-fundum-ed. “Ist gut?” Google vertelt me nu dat we toen dus pruimen-brandewijn hebben gedronken. “Ist gut ja…”

Na het uitladen en verdelen des kamers (Mischa, Knoert en ik op de slaapkamer, Pim en Erwan in de kamer naast de woonkamer/keuken) doen we boodschappen voor het avondeten in Bled. Het is er nog steeds druk, maar we vinden wel een Mercator waar we hetzelfde brood scoren als dat van de lunch. Deze avond eten we Kip, rijst met paprikasaus en een scala aan groenten. Het is goed te eten. De paprika’s kosten maar 29 cent. Kopen kopen kopen!

Daarna gaan we op pad om de omgeving te verkennen. We lopen een rondje in de avondschemering, wat heuvels op en af en langs een oud, vervallen kerkje. De volgende dag zullen we een echte wandeling in de omgeving gaan maken, maar voor vanavond laten we het hierbij. We eten chips, zappen wat op de tv en drinken een biertje (een zwangere vrouw in een alcoholreclame? Het kan in Slovenië!). Er zitten hier veel muggen, maar er is een andere insectensoort waar we de komende dagen nog meer last van zullen krijgen.

[Bodešče] 2: Ontbijt, kasteel en strand

Helemaal vergeten te vertellen… Terwijl we daar dus de avond tevoren aan de Spritz zaten, liep spontaan Arnon Grunberg langs. Althans, het was een Nederlander, hij liep niet alleen en leek als twee druppels water op de bekende schrijver. Zijn blog maakt geen melding van een bezoek aan Triëst, maar wel van een bezoek aan Piran – niet ver daar vandaan. Wij zouden er op dag 3 naartoe gaan.

Woensdag 10 augustus 2011

Italianen hebben de neiging om de belangrijkste maaltijd van de dag over te slaan. Ontbijt bestaat daar nauwelijks. Duitsers en Fransen mogen dan een respectievelijk echte frühstücktraditie en een petit dejeuner pain, de Italianen eten wat koekjes en drinken een kop koffie, al waarna de dag begint.

Dat wordt dus veel koekjes kanen, want ook wij Nederlanders houden wel van een ontbijt op zijn tijd. Ik zou liegen als ik zou zeggen dat Patty en haar vriend (en de inmiddels naar zijn werk vertrokken Stefano) niet voor enige compensatie hebben gezorgd, maar je buikje rond eten is er niet bij.

Gelukkig realiseer ik mij deze morgen iets essentieels. Vorig jaar moest ik noodgedwongen afkicken van mijn koffieverslaving, maar in Italië kunnen ze wel een kopje koffie zetten. En zeker in Triëst, waar de bekende Illy-koffie en masse wordt geproduceerd. En als Patty aanbiedt om koffie te zetten, dan kan ik geen nee zetten. Voor Mischa neemt ze de melkopschuimer ter hand, ik drink een gewone Espresso. De wereld is ineens een stuk mooier. Al gaan we de afgesproken tijd van tien uur bij het hostel bij lange na niet halen.

Dat is niet alleen onze schuld. De TomTom die ons dit jaar vertelt dat we te hard rijden of de afslag hebben gemist, wordt ingeruild voor de navigatieskills van onze gastvrouw. Dat blijkt achteraf niet zo’n goed idee, want na even rijden wordt schoorvoetend toegegeven dat we misschien beter op de TomTom kunnen vertrouwen. Hemelsbreed zijn we dan best dichtbij, maar omdat Triëst HEEL veel éénrichtingsverkeerstraatjes heeft, moeten we nog een tijdje rijden. Daarbij pakt Patty even een rood stoplicht mee en moet af en toe rigoureus van rijstrook gewisseld worden. Het heeft zijn charme.

Als we eindelijk bij hostel Alibaba aankomen, blijken Erwan en Knoert al weg te zijn. Aangezien je de verscheidene plekken in de stad beter lopend kunt bereiken maar we de auto wel nodig hebben, roepen we de heren terug naar hun slaapplaats. Onder vermelding van “hadden jullie maar op tijd moeten zijn”, kunnen we aanzienlijk later, maar nog voor elf uur onderweg gaan naar de eerste bestemming van vandaag.

Kasteel Miramare ligt aan de kust buiten Triëst. Om er te komen moeten we eerst enkele kilometers de drukke kustweg afscheuren en uitkijken naar een parkeerplaats. Dat blijkt zo makkelijk nog niet: verreweg de meeste Italianen zetten hun auto gewoon half op de weg, half in de berm en uiteindelijk zet ook Mischa hier de auto neer. Langs de kust lopen we naar het kasteel, met uitzicht op in de zon bakkende oudjes. Stefano heeft het ons de avond ervoor al toevertrouwd: het probleem met Triëst is niet de stad, maar het feit dat er zoveel bejaarden en gekken wonen. We zien wat hij bedoelde: Als de mensen op het strand veertig jaar eerder waren gekomen, had het er best leuk uitgezien. Nu: not so much.

Maar we zijn hier niet voor het uiterlijk vertoon, maar voor snuiven des historie ende cultuur. Kasteel Miramare werd halverwege de negentiende eeuw gebouwd als zomerverblijf voor Maximiliaan van Habsburg en zijn vrouw Charlotte von Sachsen. Maximiliaan vond het wel flex als zijn zomerverblijf wat weg had van een schip en liet zijn deel van het kasteel er dan ook uitzien alsof het zo weg zou kunnen varen als je het stenen omhulsel weg zou nemen. Vandaag de dag valt naast het in grote getale aanwezige houtsnijwerk met name de unhealthy obsession met ananas op. In iedere kamer zijn ze te vinden. Vind je het gek dat Charlotte na de dood van haar man flipte en doordraaide? Ik niet. Ik niet.

Ook nog het vermelden waard is het bijbehorende park. In deze verrassend grote tuin is het prettig schaduw ontdekken bij een temperatuur van meer dan dertig graden. Nog leuker is het om te ontdekken dat die schaduw wordt verzorgd door talloze bomen van over de hele wereld. Erg inheems is het natuurlijk niet, maar wel leuk gedaan. Dat gezegd hebbende is het – ondanks de schaduw – erg warm. We besluiten dan ook om ‘s middags niet het centrum van Triëst te bekijken, maar naar Patty’s kamer te gaan, om te kleden en naar het strand te gaan. Niet het bejaardenstrand waar we langslopen, maar een cool strand.

Tussen de middag proberen we pizza te halen, maar de incrowd pizzatent blijkt nog niet geopend voor publiek. Daarom gaan we naar de supermarkt en kopen daar een goede lunch vol met onder andere Italiaanse vleeswaren. Na deze lunchpauze rijden we naar een ander strand. Dit strand, volledig uit stenen bestaand, bereiken we door het afdalen van een Via Golgotha aan trappen. Het afdalen is het probleem niet, wel het vooruitzicht dat we straks ook weer omhoog moeten.

Maar dat komt straks pas. Het strandje blijkt gezellig, niet te druk en niet alleen bevolkt met bejaarden (hoewel de meest in het oog springende lieftallige dames er vrij snel naar onze komst vandoor gaan – I wonder why). De stenen zijn tot op zekere hoogte wel een obstakel om op te lopen. Drie van de vijf Nederlanders op het strand halen hun voet open aan de stenen zeebodem. Ik hoor zelf gelukkig niet tot dat drietal. Ik ben namelijk langzaam voorzichtig. Verder biedt de zee erg prettige verkoeling en we blijven dan ook tot de avond aan het strand liggen.

De weg omhoog naar de auto blijkt een goede oefening voor de bergwandelingen die later deze vakantie gepland zijn. Uiteindelijk wordt dit obstakel zonder veel problemen overwonnen, waarna we in de auto terugrijden naar Patty’s appartement. In de veronderstelling dat we vervolgens ergens wat gaan eten, kijk ik enigszins verbaasd als Patrizia en haar vriend aanstalten maken om te gaan koken.

De pasta die vervolgens op tafel wordt getoverd heeft weinig te maken met de Nederlandse spaghetti met gehakt en tomatensaus, maar is zeker niet minder lekker. Sterker nog: het is lang geleden dat ik zulke lekkere pasta heb gegeten. Mischa – van mening dat je je taalgebruik aan moet passen aan je publiek – heeft zijn normaal bijzonder goede Engels gelaten voor wat het was en laat op inmiddels karakteristieke Borat-wijze aan de vriend van Patty weten dat het een goed teken is dat we allemaal in stilte eten. “That is big compliment.” En dat is het ook. Het toetje is grote bak Straciatella-ijs. Want we hadden nog geen ijsjes gegeten in Italië deze vakantie.

Pim moet deze pasta missen, omdat hij met een vriendin uit Glasgow heeft afgesproken, die in Triëst heeft gestudeerd en in de buurt is. Na het eten gaan we dan ook naar de stad om “het mooiste plein in de stad” te bekijken en Pim op te zoeken – die vlakbij dat plein aan het socializen is.

“Het mooiste plein van de stad” is niet per se het hoogtepunt van de dag. De schoonheid van het plein kan niet worden ontkend, maar er zijn zoveel spots en lampen op geplaatst, dat de schoonheid een beetje kunstmatig en overdreven overkomt. De volgende dag zouden we het plein nog even bij daglicht aanschouwen – vanuit de auto – en tot de conclusie komen dat het plein dan eigenlijk mooier is.

De bar waar Pim is maakt op mij de indruk van een echte Italiaanse studentenkroeg: jong publiek, maar een uitgebreide selectie aan bier en andere alcoholische versnaperingen. Er loopt volgens andere aanwezigen naast mijzelf nóg iemand met een gouden sleutel rond, maar ik heb haar niet gezien. We maken het vanavond niet te laat, want de volgende dag moeten Patty en haar vriend al vroeg weg en wij willen geen spelbrekers zijn.

Van Stefano hebben we vandaag nog niets vernomen. Nu laat hij weten dat hij bij een vriendin slaapt. Dat vinden wij uiteraard niet erg. Als we echter tegen enen terug bij het appartement komen, blijkt dat Stefano’s boodschap niet goed is aangekomen: De vriendin van Stefano blijft bij Stefano slapen, niet andersom. Dus liggen we nu met vier man en een vrouw op de kamer van Stefano. Vast niet het intieme feestje waar Stefano op gehoopt had, maar hij kan niet claimen dat hij niet wist dat we nog een nacht konden blijven slapen. De nacht verloopt verder gelukkig zonder noemenswaardige incidenten – al heb ik wel eens beter geslapen. Morgen gaan we naar Slovenië.

[Bodešče] 1: Een Triëst begin van de vakantie

Na een geslaagde editie vorig jaar naar Zweden, besloten we om ook dit jaar met Pimfandischasjo op vakantie te gaan. Ik zal niet liegen: ik keek best uit naar deze vakantie. Niet dat mijn werk zo erg is – in tegendeel – maar af en toe uitrusten, bijkomen en nieuwe indrukken verzamelen heb ik nodig op zijn tijd. Het is een goede traditie om met vijf van mijn oudste vrienden (qua tijd dat we vrienden zijn) een week of wat weg te gaan. We kennen elkaar goed, vallen in oude rolpatronen en hoeven maar weinig voor elkaar te verbergen (behalve camera’s die opnames maken).

Eén van onze vervelendste gewoontes is besluiteloosheid. Daarom besloten we na een weekend in de Ardennen in 2009 om iedereen om de beurt de vakantie te laten organiseren (tot op zekere hoogte). Vorig jaar was Mischa hoofd van onze Zwedenreis, dit jaar (na enige gemoedelijke groepsdruk) stond Knoert aan de wieg van een reis naar het zuiden. Ryanair vliegt vanaf Weeze naar Triëst, waar zowel Mischa als Pim mensen kenden. Een bezoek aan deze stad werd gecombineerd met de werkelijke bestemming van onze reis: de Sloveense bergen. Zo combineerden we het Italiaanse stadse leven met de rust en natuur van de bergen. Een goede combinatie, zo mag nu geconstateerd worden.

Dinsdag 9 augustus 2011

Op dinsdagmiddag vertrekken we bepakt en bezakt richting de Duitse grens. Met zes man in één Volkswagen Cabby bleek prima te passen (indien één iemand in de achterbak ging zitten) en we waren dan ook ruim op tijd op vliegveld Weeze. Daar was, na het inchecken van onze extra bagagetas (ook een traditie: alles in de handbagage en één tas) genoeg tijd te doden om weer in ouderwetse flauwe grappenmodus te geraken.

Het is alweer ruim zeven maanden geleden dat we voor het laatst met zijn vijven bij elkaar waren – met de leden van onze vijftal verspreid over Nederland en Schotland is elkaar regelmatig zien helaas geen optie – en dan is het altijd fijn om te zien dat we het nog niet verleerd zijn.

Vluchttechnisch gezien gaat alles goed: we mogen plaatsnemen in de stoelen met extra beenruimte bij de nooduitgang. Onderweg wordt één keer turbulentie aangekondigd, maar die blijkt te verwaarlozen.

Na zo’n anderhalf uur landen we op schema op het Aeroporto Friuli Venezia Giulia – iets ten noorden van Triëst. Dat vliegveld bleek bijna net zo schraal als het vliegveld in Växjö vorig jaar. Het heeft weliswaar meer weg van een vliegveld dan van een busstation, maar de commerciële activiteit in de terminal blijkt beperkt tot een restaurant dat om 21:00 uur dicht gaat (geen extra avondeten dus) en van die weegschalen waarop je je eigen gewicht kan meten tegen betaling van een euro. Terwijl er ook weegschalen staan om je bagagetas op te wegen – die geheel gratis zijn.

De eerste tegenvaller van de vakantie laat niet lang op zich wachten. Mischa’s telefoon zit niet meer in zijn zak. In het vliegtuig kijken of hij daar ligt, mag niet meer, bij de gevonden voorwerpen ligt de telefoon (uiteraard) ook niet. De medewerker geeft de standaard Ryanair-nummers in Engeland en Ierland, voor de zekerheid, maar de hoop op het terugkrijgen van de telefoon is dan allang vervlogen. Gelukkig heeft Mischa een adressenlijstboekje waar ook het telefoonnummer van onze gastvrouw instaat. Mochten we dus verdwalen, dan kunnen we met een andere telefoon alsnog contact opnemen.

Met een in mijn geval haflege maag (zo’n maaltijdsalade van de AH om 16:00 uur ‘s middags blijkt niet afdoende voor een avond zonder trek) maar volle bagage lopen we naar het Hertz-kantoor om ons vervoermiddel te scoren. Mischa – wederom onze designated driver dit jaar – heeft gekozen voor een Peugeot 508, maar de verrassend Scandinavisch uitziende Hertz-medewerker kan de sleuteltjes niet vinden. Na een controle “of ze niet in de auto liggen” krijgen we vervolgens een andere Peugeot mee: de aanzienlijk hogere 3008. De motor is gelukkig krachtig genoeg om op een normaal tempo te accelereren met vijf jonge goden en zes zware bagage-items in de bak (minus een telefoon). Ook bergop. Na een inspectie verlaten we het vliegveld op naar Triëst.

In Triëst worden we ontvangen door druk toeterende Italianen en aggressief rijgedrag. Blijkbaar neemt men het hier niet zo nauw met verdrijvingsvlakken en snelheidslimieten. Je aan de regels houden is bijna een risico in zo’n situatie. Ik haal opgelucht adem dat ik deze vakantie hier NIET hoef te rijden en nog fijn wat lesjes in Nederland mag rijden. Valt het verkeer hier toch best mee. Ook het parkeren is in Italië overigens een kunst op zich. Of het nu om scooters gaat of Fiat Punto’s, Panda’s of 500′s: iedereen zet auto’s op plekken waar je in Nederland binnen vijf minuten een bon onder je ruitenwisser zou krijgen, maar blijkbaar is het parkeerbeleid geen prioriteit van Berlusconi.

Aan de andere kant kun je dan natuurlijk wel gratis parkeren. Ok Moj. We rijden naar de woning van Patrizia en Stefano en proberen een parkeerplek in de buurt te vinden. Dat lukt – tegen alle verwachtingen in – heel eenvoudig: nog geen twee straten verderop vinden we een plekje met ruimte voor een grote bak als die van ons. Er zitten nadelen aan zo’n grote auto en het parkeren in Italiaanse steden blijkt één van die nadelen. Maar vandaag nog niet dus. Drie van ons blijven bij Patrizia en Stefano slapen. Knoert en Erwan hebben we dan al afgezet bij hotel/hostel Alabarda – dat bij ons al snel bekend stond als Alibaba.

Patrizia is een vriendin van Mischa uit de tijd dat hij in Zweden studeerde. Dat is alweer enkele jaren geleden en sindsdien hebben de twee elkaar niet meer gezien. Het weerzien is heuglijk. Pim en ik ontmoeten haar voor het eerst. Voor ons allebei nieuw zijn “Patty’s” vriend Lorenzo – die gedurende deze dagen net zoveel Engelse woorden zal uiten als gewoon is in de traditie van de Franse stomme film. Ze zijn er nog steeds: Europese jongeren die niet goed Engels kunnen. Toch is hij meegekomen naar Triëst om ons te ontmoeten en zijn Engels te oefenen, wat erg sympathiek is. Stefano – Patrizia’s huisgenoot – blijkt aanzienlijk beter Engels te kunnen en is een smooth-going hiphop Italiaan.

In de keuken kletsen we verder. Wanneer ik een blik uit het keukenraam van de studentenwoning van Patty en Stefano werp, ontdek ik een vrijwel lege parkeerplaats. Dat krijg je wanneer je een hele stad hebt met vrij parkeren hebt maar een flatgebouw eigen parkeerplaatsen geeft die niet worden gebruikt. Na enige flauwe grappen over het feit dat we na alle parkeerchaos in Triëst een vrijwel lege parkeerplaats hebben ontdekt, wandelen we naar de stad voor een drankje. Eéntje dan. Want we zijn stiekem wel vermoeid van de reis.

Het is een mooie zomeravond in Triëst en we nemen dan ook een plaats op een terras in de stad. Stefano verzekert ons ervan dat de lokale drink of choice hier Spritz is. Spritz is (witte) wijn, aangelengd met mineraalwater en een andere alcoholische drank naar keuze. Ik had meer zin in een koud pilsje, maar ga overstag en neem een Spritz Aperol. Onder het motto: “een pilsje kan altijd nog.”

Het glas wat ik vervolgens in mijn handen krijg gedrukt is groter dan verwacht, maar het smaakt niet per se verkeerd. Zoet en bitter, met een makkelijke dronk. Zeker in combinatie met de zeer welkome chips, pinda’s (en minder welkome olijven). Spritz is leuk voor een keer, maar ik kan er mee leven dat ik geen Italiaanse player wordt. Mijn Italiaanse playernaam Stefano is inmiddels toch al gejat door onze gastheer, die er – nadat hij zijn Spritz heeft genuttigd – vandoor gaat omdat hij om half 8 op moet om aan de slag te gaan in de haven nabij Triëst.

Met Patty en Lorenzo blijven we achter, maar niet veel later gaan ook wij naar onze bedden. Die blijken beter dan vooraf gehoopt. Een stretcher en tweepersoons slaapbank bieden genoeg comfort om een redelijk nachtrust te behalen, voor zover dat kan met vier mannen op één kamer.

Als ik de volgende ochtend wakker word, kijk ik uit het raam. Dit is wat ik zie:

Een strakblauwe hemel. Die had ik in Nederland al een tijdje niet meer gezien.

In de volgende aflevering: koffie, kastelen en de zee in…

 

 

[Trällebo] 5: Nieuw record en Ome Ben

Dinsdag 13 juli

Dinsdagochtend besluiten we weer rustig bij het huisje te blijven. Wel gaan we kanoën op een meer. Dat waren we al eerder van plan, maar nu hebben we er pas tijd voor. Het weer is nog steeds prima en dus rijden we naar de plek waar op de kaart een kleine kano staat. Aangekomen op een soort bungalowpark huren we de kano’s bij de receptie. Het blijkt dat we niet op een meer gaan kanoën, maar op iets wat niet anders kan worden omschreven als “een brede sloot.” De vorige keer dat ik ging kanoën, stootte ik Mischa tegen de borst door te zeggen dat “wij beter niet in één kano konden.” Dat heb ik toen moeten vergelden door menig rivierwieraanvallen van Pim en Mischa. Dat zou me niet nog een keer overkomen – hoewel ik vandaag wel hetzelfde t-shirt aan heb.

We hebben twee metalen / aluminium kano’s. De driepersoons wordt bevaren door Pim, Erwan en Sjoerd, de tweepersoons door Mischa en ondergetekende. De kano’s blijken nog instabieler dan ik gewend ben: Mischa en ik zijn nog niet van de kant of we beginnen al te wiebelen en binnen een minuut slaan we om. Dat is een nieuw record. Mischa gaat als eerste de kano in, na tien minuten zit ik er ook in en vinden Mischa en ik langzaam een balans. In het uur dat volgt stotter ik regelmatig de woorden: “Nee, Mischa, nee, Mischa, neee, Mischa, neeee, Mischa nee!” Toch slaan we geen tweede keer om, zelfs niet wanneer we crashen op de kant of achteruit kanoën.

Pim, Erwan en Moert gaan voortvarender van start. Om het geheel wat spannender te maken besluiten ze te proberen door zoveel mogelijk “poortjes” – takken en stenen in het water. Dat gaat erg lang goed. We zijn al op de terugweg wanneer de heren onder een tak doorvaren terwijl ze de peddels bovenlangs overpakken. Die beweging bleek te ambitieus en toen sloegen ook zij eindelijk om. Eindelijk.

Ook zij hebben tien minuten nodig om weer in de kano te komen: vooral omdat het water hier dieper is.  Dus klimmen ze op de kant en proberen ondanks de moerassige ondergrond weer veilig in de kano te komen. Dat lukt uiteraard, waarna we onze weg terug vervolgen. We leveren onze kano’s in, dit keer bij het Zweedse kassameisje dat de oudere man die er eerst stond blijkt te hebben afgelost. Mischa gebruikt zijn charmes en onderhandelingsskills om iets van de prijs af te dingen. De lucht is inmiddels aardig aan het betrekken, maar we moeten wel nog boodschappen doen in onze (soms zelfs erg) natte kleren. Dat gaat gelukkig zonder veel problemen. Bij het verlaten van de supermarkt komen we echter terecht in de eerste en enige wolkbreuk bij daglicht deze vakantie. Als we terug rijden naar ons huisje, stopt het met regenen en zien we al gauw de damp opstijgen van het wegdek.

Thuis beginnen we met koken. Nu gaan we dan eindelijk Uncle Ben’s eten! We hebben rijst, diverse groenten en kalkoenfilet. Helaas blijkt de kalkoenfilet (volgens de verpakking tot vandaag geldig) niet bijzonder prettig meer te ruiken: een penetrante geur van rotte eieren dringt onze reukorganen binnen. Toch bakken we de kalkoen: Erwan ziet het probleem niet zo en misschien is het alleen de geur (het vlees ziet er verder prima uit). Pim, Mischa en ik zweren de kalkoen toch maar af. Pim en Mischa verdelen de gehaktballetjes, mij rest een stuk van Goerts omelet. Verder smaakt het eten overigens prima.

De rest van de dinsdagavond rusten we uit, wordt er gevoetbald en natuurlijk afgewassen. Tussen Mischa en mij ontstaat intussen een hevige competitie wie als eerste zijn boek uit gaat hebben. Mischa heeft Dorstvloer vol Confetti bij zich, ik Onder Professoren. Het verschil in bladzijdes is aanzienlijk, bovendien staat er bij mij veel meer op een pagina, maar ons leestempo blijkt in eerste instantie redelijk gelijk te liggen. Pas op donderdag neemt Mischa definitief (en ruimschoots) de voorsprong. Hij zou het boek nog nét voor het einde van de vakantie uitkrijgen.

Als we willen gaan slapen blijkt de achterdeur een groot deel van de avond open te hebben gestaan. Dat resulteert nu in een absurde hoeveelheid muggen en vliegen: je hoeft maar een keer uit te halen en je hebt er minstens 2 à 3 te pakken. Vooral Erwan blinkt uit in het ownen van de insecten, ik – ondanks of juist vanwege mijn onconventionele techniek – doe het niet bovengemiddeld.