albumcover

Het eerste album van The Kooks heb ik nooit helemaal gehoord. Dat is een beetje mijn eigen schuld en een beetje die van mijn familie. Ik had het eerste album namelijk voor mijn verjaardag gevraagd. En dat kreeg ik toen niet. Daarna kwam het er gewoon weg niet meer van. Maar ik vond de meeste liedjes die ik hoorde in ieder geval wel geslaagd (u kent ze zelf ook: ‘Naive’, ‘Be Mine’, ‘She Moves In Her Own Way’ etc. etc.). Behalve het nieuwe ‘Always where I need to be’. En toen bedacht ik dat het album best kon luisteren, om daar mijn oordeel over te vellen. Op ditisstefan.nl natuurlijk!

Volgens mij hebben The Kooks gedacht: “laten we vooral niet te moeilijk doen over ons nieuwe album.” En dat hoor je. Slechts zelden hoor je een groot verschil met de singles van het vorige album. En dat is best wel lekker. Oh, de band doet wel even alsof ze iets nieuws doen. Opener ‘See The Sun’ begint heel rustig, maar nog voor het refrein zitten we al op een typisch Kook-ritme met übercatchy refrein. En dat is de eerste van een tiental leuke liedjes. Dat wil niet zeggen dat er geen gas wordt teruggenomen op bepaalde momenten, maar zo’n rustig moment duurt nooit lang en wordt altijd opgevolgd door zo’n lekker verkookerisering, zoals ik een typische versnelling met opwindend drumritme en typische snik in de stem van zanger tegenwoordig maar noem.

Why do you bite the hand that feeds you?
(Shine On)

Het liefst zou ik alle liedjes bespreken, maar ik ben bang teveel in herhaling te vallen. Maar laat ik vast stellen dat ‘Mr. Maker’, ‘Sway’, ‘Shine On’, ‘Love It All’ en ‘Do You Wanna’ erg geschikt zouden zijn als single en in ieder geval de potentie hebben mijn soundtrack van de zomer te kunnen worden. De platenmaatschappij in Engeland kiest overigens voor het relatief harde ‘Sway’ (waarbij harde overigens tussen aanhalingstekens mag worden geplaatst).

For all the times i never, never turned her way
And now she is here on someone else’s arm
(See The Sun)

Het is overigens ook weer niet zo dat The Kooks een album heeft gemaakt volgens het recept waarmee de singles van het eerste album zijn gemaakt. Dat is overdreven. Op de laatste paar tracks van het album wordt wel degelijk wat gevarieerd. ‘One Last Time’ is akoestischer dan al het eerdere dat ik van de band heb gehoord, en met een instrumentaal refrein dat enkel wordt begeleid door een hoge ‘ooooooh’ is het in ieder geval licht experimenteel te noemen (en toch catchy). ‘Tick Of Time’ is nog een stap verder. Hier zijn de versterkers verdwenen en lijkt het even alsof we op een tropisch strand zitten met de band, een kampvuur en hopelijk ook wat andere leuke mensen. Ondanks dat de tekst van het liedje toch niet bepaald tropisch, laat staan vrolijk is. En (soort van geheime) afsluiter ‘All Over Town’ is zelfs melancholisch te noemen.

Jawel. The Kooks spelen een beetje met hun grenzen op hun tweede CD. En wie weet wat een derde CD wat dat betreft gaat brengen. Terwijl we van andere hippe bands maanden van tevoren te horen krijgen dat hun tweede CD vet anders is (Keane, anyone?), doen The Kooks niet zo moeilijk. Tegen NME vertelde zanger Pritchard:

I want this album to be big, I’ve got an ego – I want the album to do well. I want our singles to come on the radio and for people to have their heads blown off by them.

Het lijkt me sterk dat ze dat niet gaat lukken. The Kooks hebben een reeks liedjes uitgepoept waarvan we meer dan de helft zo mee kunnen zingen en dat allemaal zonder veel moeite. En daarvoor verdienen ze ons respect. Want ik zing liever deze liedjes dan de nietszeggende rotzooi die het tegenwoordig tot zomerhit schopt. Dat dat even duidelijk is.

vier uit vijf

P.s. mijn favoriet:

Previous ArticleNext Article
Stefan is online adviseur, redacteur en tekstschrijver. Hij studeerde Nederlandse Taal & Cultuur in Nijmegen, maar werkt inmiddels bij ZB Communicatie & Media in Ede. In zijn vrije tijd speelt hij gitaar, maakt, ontwerpt en onderhoudt hij websites.

This post has 2 Comments

2

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

I.

Ik hou helemaal niet van festivals

Als muziekliefhebber heb ik honderden concerten bezocht in mijn leven. Er waren grote concerten bij – in de Amsterdam ArenA bijvoorbeeld, en ook hele kleine huiskamerconcerten ergens in Nijmegen. Ik ben ervoor naar Groningen geweest, naar Den Haag en in kleine Limburgse dorpen. En ik deed dat meestal met vrienden en soms alleen. Met vrienden is meestal leuker, gedeeld plezier immers. Dus je zou zeggen dat een festival de logische volgende stap is. Maar ik hou helemaal niet van festivals.

Lekker de camping op met wat vrienden, chillen in het gras, biertje erbij en genieten van de zon. Oh ja, en je favoriete bands natuurlijk. Het lijkt een ideaal weekend voor iedere muziekliefhebber. Toch spraken de grote festivals me nooit echt aan. Lowlands en Pinkpop: ik ben er nooit geweest. Lach me maar uit. De 3voor12-stream volgen: prima. Maar ik voelde nooit de behoefte om erheen te gaan. Eén keer ging ik een dag op en neer naar Best Kept Secret. Ik zag er onder andere The Tallest Man On Earth, Franz Ferdinand en The War On Drugs. En nog meer. Verder pakte ik eens een dagje Motel Mozaïque mee en het Naked Song Festival in Eindhoven. En natuurlijk loop ik als Nijmegenaar rond op het Valkhoffestival. Maar dat was het dan ook, tot ik me dit jaar liet overhalen om af te reizen naar Down The Rabbit Hole. Vooruit.

Vooruit, zeg ik, maar die camping kregen ze me niet op. Het was ook een last minute beslissing om nog te gaan, en om nu ook nog een tent te regelen. Het leek mij beter om de spreekwoordelijke kat uit de boom te kijken en dus op en neer te gaan naar Ewijk/Beuningen of waar De Groene Heuvels zich ook mogen bevinden. Op de fiets, dacht ik op dag één, maar met veertien kilometer straffe wind en open veld op de route besloot ik op dag twee de OV-optie te nemen. Naar station Wijchen dus – en daar met een nogal onvoorspelbare pendelbus naar het terrein. Niet ideaal, maar uiteindelijk acceptabel – ik had minder pech dan andere mensen die op en neer reisden met deze bus.

Dag drie kon ik een lift krijgen van een vriend met een auto: we lachten allebei over het gemak waarmee we richting het konijnenhol reden: “volgend jaar kan dit iedere dag joh!” En toen werden we, op 200 meter van het terrein, rechtsaf gestuurd, terug de snelweg op en na een omleiding van zeker een kwartier – dat is een verdubbeling van de reistijd – bereiken we alsnog het parkeerterrein. Conclusie: je kunt beter blijven slapen op het terrein.

MAAR IS DAT WEL ZO? Want iedere ochtend hoorde ik horrorverhalen, ofwel van de afgelopen nacht, ofwel van eerdere festivals. Over loeiende generatoren, over lallende mensen, of gewoon over vieze Hollandse regen, die omdat het tentdoek net niet helemaal lekker strak staat, gewoon de tent inkomt. Maar verder is het genieten hoor, op zo’n festivalcamping. Lekker in de rij voor de douches of acrobatische toeren op een vieze wc-bril een grote boodschap verkondigen. Nee, toen ik ‘s morgens wakker werd in mijn eigen bed, uitgeslapen en wel, kon ik er weer vol tegenaan. Vergelijk dat met de meewarige, verslagen mensen die op de zondag al vertrokken omdat ze er genoeg van hadden… Dat gaat toch tegen het motto “we verkopen geen dagkaarten dus everybody is in for the whole ride” in…

Dus natuurlijk mag je mij uitlachen, uitschelden voor luxepoes of ‘geen echte’, maar als ik dan zo’n meerdaags festival moet doen, dan doe ik het op mijn eigen manier. Want natuurlijk hou ik wel van gezelligheid, maar niet van halfdronken idioten. Ik kom zo’n terrein op en denk de eerste tien minuten: ik draai weer om… Natuurlijk hou ik van ‘s avonds goede gesprekken voeren, maar niet in een doorweekte tent. Nee, deze jongen was er heel blij mee dat hij ‘s avonds naar huis kon en ‘s morgens weer fris op kon staan. Mijn festivalplezier wordt niet vergroot door een legging te kopen en aan te trekken omdat mijn andere kleren doorweekt zijn. Of door de derde dag heenworstelen omdat ik geen oog heb dichtgedaan.

Want daardoor heb ik dus in vrij optima forma gezien – in chronologische volgorde: Nick Mulvey (jeej), Bear’s Den, Bonobo (jeej), Sinkane (mijn ontdekking van het festival) Moderat (meh), Spinvis (jeej), Moss, Soulwax (had ik van kunnen genieten als ik niet helemaal achteraan naast een paar Wijchenaren had gestaan die over hun werk aan het kleppen waren – ik ga nu een experimenteel theaterstuk opzetten waarbij ik een headliner laat spelen en tegelijkertijd een groep mensen met luide stem er overheen laat kletsen), Fleet Foxes (niet echt een zaterdagavondband helaas), The Avalanches (haha), Spoon (duizend hartjes voor Spoon), Xavier Rudd (iets te veel clichés met zijn tuinbroek enzo, maar wel een gave didgeridoo), War Paint (matig geluid daar, net als bij veel andere acts trouwens) en Father John Misty (zo gaaf!). Het was vet, muzikaal was het mooi en het was gezellig. En als ik weg wilde, kon ik weg.

Ik heb dit weekend geleerd dat je festivals vooral op je eigen manier moet doen, want dat doet iedereen. En mijn manier is dus niet all-in de camping op met kutweer. Mijn manier is met enig comfort, een introvertveilige zone en vooral genieten van de muziek. Want dat heeft Down The Rabbit Hole dus wel gedaan: ik realiseerde me weer hoe tof ik bandjes, singer-songwriters en zelfs elektronische acts vind. En hoe weinig ik er eigenlijk ken.

Dus misschien doe ik in de toekomst nog wel eens een festivalweekend. En wellicht ook wel Down The Rabbit Hole. Maar dan doe ik het wel op mijn manier. En ik zeg niet dat die beter is, maar ik word er in ieder geval gelukkiger van. En ik geniet er niet minder om.

N.b. overigens heb ik dus op de organisatie van Down The Rabbit Hole niet veel aan te merken, behalve dat het festivalterrein dus duidelijk niet in Beuningen is én dat de pendelbus vanaf Nijmegen relaxter zou zijn geweest voor vrijwel iedereen, dat het geluid soms tegenviel en dat de omleidingsroute wel extreem was… Maar ja, verder dus wel props. 😉