[Bodešče] 2: Ontbijt, kasteel en strand

Helemaal vergeten te vertellen… Terwijl we daar dus de avond tevoren aan de Spritz zaten, liep spontaan Arnon Grunberg langs. Althans, het was een Nederlander, hij liep niet alleen en leek als twee druppels water op de bekende schrijver. Zijn blog maakt geen melding van een bezoek aan Triëst, maar wel van een bezoek aan Piran – niet ver daar vandaan. Wij zouden er op dag 3 naartoe gaan.

Woensdag 10 augustus 2011

Italianen hebben de neiging om de belangrijkste maaltijd van de dag over te slaan. Ontbijt bestaat daar nauwelijks. Duitsers en Fransen mogen dan een respectievelijk echte frühstücktraditie en een petit dejeuner pain, de Italianen eten wat koekjes en drinken een kop koffie, al waarna de dag begint.

Dat wordt dus veel koekjes kanen, want ook wij Nederlanders houden wel van een ontbijt op zijn tijd. Ik zou liegen als ik zou zeggen dat Patty en haar vriend (en de inmiddels naar zijn werk vertrokken Stefano) niet voor enige compensatie hebben gezorgd, maar je buikje rond eten is er niet bij.

Gelukkig realiseer ik mij deze morgen iets essentieels. Vorig jaar moest ik noodgedwongen afkicken van mijn koffieverslaving, maar in Italië kunnen ze wel een kopje koffie zetten. En zeker in Triëst, waar de bekende Illy-koffie en masse wordt geproduceerd. En als Patty aanbiedt om koffie te zetten, dan kan ik geen nee zetten. Voor Mischa neemt ze de melkopschuimer ter hand, ik drink een gewone Espresso. De wereld is ineens een stuk mooier. Al gaan we de afgesproken tijd van tien uur bij het hostel bij lange na niet halen.

Dat is niet alleen onze schuld. De TomTom die ons dit jaar vertelt dat we te hard rijden of de afslag hebben gemist, wordt ingeruild voor de navigatieskills van onze gastvrouw. Dat blijkt achteraf niet zo’n goed idee, want na even rijden wordt schoorvoetend toegegeven dat we misschien beter op de TomTom kunnen vertrouwen. Hemelsbreed zijn we dan best dichtbij, maar omdat Triëst HEEL veel éénrichtingsverkeerstraatjes heeft, moeten we nog een tijdje rijden. Daarbij pakt Patty even een rood stoplicht mee en moet af en toe rigoureus van rijstrook gewisseld worden. Het heeft zijn charme.

Als we eindelijk bij hostel Alibaba aankomen, blijken Erwan en Knoert al weg te zijn. Aangezien je de verscheidene plekken in de stad beter lopend kunt bereiken maar we de auto wel nodig hebben, roepen we de heren terug naar hun slaapplaats. Onder vermelding van “hadden jullie maar op tijd moeten zijn”, kunnen we aanzienlijk later, maar nog voor elf uur onderweg gaan naar de eerste bestemming van vandaag.

Kasteel Miramare ligt aan de kust buiten Triëst. Om er te komen moeten we eerst enkele kilometers de drukke kustweg afscheuren en uitkijken naar een parkeerplaats. Dat blijkt zo makkelijk nog niet: verreweg de meeste Italianen zetten hun auto gewoon half op de weg, half in de berm en uiteindelijk zet ook Mischa hier de auto neer. Langs de kust lopen we naar het kasteel, met uitzicht op in de zon bakkende oudjes. Stefano heeft het ons de avond ervoor al toevertrouwd: het probleem met Triëst is niet de stad, maar het feit dat er zoveel bejaarden en gekken wonen. We zien wat hij bedoelde: Als de mensen op het strand veertig jaar eerder waren gekomen, had het er best leuk uitgezien. Nu: not so much.

Maar we zijn hier niet voor het uiterlijk vertoon, maar voor snuiven des historie ende cultuur. Kasteel Miramare werd halverwege de negentiende eeuw gebouwd als zomerverblijf voor Maximiliaan van Habsburg en zijn vrouw Charlotte von Sachsen. Maximiliaan vond het wel flex als zijn zomerverblijf wat weg had van een schip en liet zijn deel van het kasteel er dan ook uitzien alsof het zo weg zou kunnen varen als je het stenen omhulsel weg zou nemen. Vandaag de dag valt naast het in grote getale aanwezige houtsnijwerk met name de unhealthy obsession met ananas op. In iedere kamer zijn ze te vinden. Vind je het gek dat Charlotte na de dood van haar man flipte en doordraaide? Ik niet. Ik niet.

Ook nog het vermelden waard is het bijbehorende park. In deze verrassend grote tuin is het prettig schaduw ontdekken bij een temperatuur van meer dan dertig graden. Nog leuker is het om te ontdekken dat die schaduw wordt verzorgd door talloze bomen van over de hele wereld. Erg inheems is het natuurlijk niet, maar wel leuk gedaan. Dat gezegd hebbende is het – ondanks de schaduw – erg warm. We besluiten dan ook om ‘s middags niet het centrum van Triëst te bekijken, maar naar Patty’s kamer te gaan, om te kleden en naar het strand te gaan. Niet het bejaardenstrand waar we langslopen, maar een cool strand.

Tussen de middag proberen we pizza te halen, maar de incrowd pizzatent blijkt nog niet geopend voor publiek. Daarom gaan we naar de supermarkt en kopen daar een goede lunch vol met onder andere Italiaanse vleeswaren. Na deze lunchpauze rijden we naar een ander strand. Dit strand, volledig uit stenen bestaand, bereiken we door het afdalen van een Via Golgotha aan trappen. Het afdalen is het probleem niet, wel het vooruitzicht dat we straks ook weer omhoog moeten.

Maar dat komt straks pas. Het strandje blijkt gezellig, niet te druk en niet alleen bevolkt met bejaarden (hoewel de meest in het oog springende lieftallige dames er vrij snel naar onze komst vandoor gaan – I wonder why). De stenen zijn tot op zekere hoogte wel een obstakel om op te lopen. Drie van de vijf Nederlanders op het strand halen hun voet open aan de stenen zeebodem. Ik hoor zelf gelukkig niet tot dat drietal. Ik ben namelijk langzaam voorzichtig. Verder biedt de zee erg prettige verkoeling en we blijven dan ook tot de avond aan het strand liggen.

De weg omhoog naar de auto blijkt een goede oefening voor de bergwandelingen die later deze vakantie gepland zijn. Uiteindelijk wordt dit obstakel zonder veel problemen overwonnen, waarna we in de auto terugrijden naar Patty’s appartement. In de veronderstelling dat we vervolgens ergens wat gaan eten, kijk ik enigszins verbaasd als Patrizia en haar vriend aanstalten maken om te gaan koken.

De pasta die vervolgens op tafel wordt getoverd heeft weinig te maken met de Nederlandse spaghetti met gehakt en tomatensaus, maar is zeker niet minder lekker. Sterker nog: het is lang geleden dat ik zulke lekkere pasta heb gegeten. Mischa – van mening dat je je taalgebruik aan moet passen aan je publiek – heeft zijn normaal bijzonder goede Engels gelaten voor wat het was en laat op inmiddels karakteristieke Borat-wijze aan de vriend van Patty weten dat het een goed teken is dat we allemaal in stilte eten. “That is big compliment.” En dat is het ook. Het toetje is grote bak Straciatella-ijs. Want we hadden nog geen ijsjes gegeten in Italië deze vakantie.

Pim moet deze pasta missen, omdat hij met een vriendin uit Glasgow heeft afgesproken, die in Triëst heeft gestudeerd en in de buurt is. Na het eten gaan we dan ook naar de stad om “het mooiste plein in de stad” te bekijken en Pim op te zoeken – die vlakbij dat plein aan het socializen is.

“Het mooiste plein van de stad” is niet per se het hoogtepunt van de dag. De schoonheid van het plein kan niet worden ontkend, maar er zijn zoveel spots en lampen op geplaatst, dat de schoonheid een beetje kunstmatig en overdreven overkomt. De volgende dag zouden we het plein nog even bij daglicht aanschouwen – vanuit de auto – en tot de conclusie komen dat het plein dan eigenlijk mooier is.

De bar waar Pim is maakt op mij de indruk van een echte Italiaanse studentenkroeg: jong publiek, maar een uitgebreide selectie aan bier en andere alcoholische versnaperingen. Er loopt volgens andere aanwezigen naast mijzelf nóg iemand met een gouden sleutel rond, maar ik heb haar niet gezien. We maken het vanavond niet te laat, want de volgende dag moeten Patty en haar vriend al vroeg weg en wij willen geen spelbrekers zijn.

Van Stefano hebben we vandaag nog niets vernomen. Nu laat hij weten dat hij bij een vriendin slaapt. Dat vinden wij uiteraard niet erg. Als we echter tegen enen terug bij het appartement komen, blijkt dat Stefano’s boodschap niet goed is aangekomen: De vriendin van Stefano blijft bij Stefano slapen, niet andersom. Dus liggen we nu met vier man en een vrouw op de kamer van Stefano. Vast niet het intieme feestje waar Stefano op gehoopt had, maar hij kan niet claimen dat hij niet wist dat we nog een nacht konden blijven slapen. De nacht verloopt verder gelukkig zonder noemenswaardige incidenten – al heb ik wel eens beter geslapen. Morgen gaan we naar Slovenië.

1 reactie

Knoerd en ik werden woensdag vroeg wakker zodat we om 10.00u klaar zouden zijn om met Pimfanscha de stad in te gaan. Na gedoucht te hebben begaven we ons naar de “ontbijtzaal”. Er was een wasbak, vijf tafeltjes en een soort vensterbank waar het buffet was uitgestald. Aan één van deze tafeltjes zat een stom Nederlands stelletje dat ons er uit vond zien als een stel Fransen.

Gelukkig trok het hotel zich niets aan van de hierboven door Stefan genoemde Italiaanse ontbijttraditie. Er waren weliswaar koffie en zoetigheden in de vorm van een soort cakejes en taartjes, maar daarnaast waren er ook verschillende soorten broodjes, eieren, beleg, yoghurt, corn flakes, melk en sapjes. Nice!

Rond 9.40u waren we klaar. Na wat op en neer gesms bleek dat Stefan en co niet op tijd zouden gaan komen, en besloten Ploert en ik dat we ze dan wel tegemoet konden komen lopen. Na gedetailleerde informatie over onze looproute gesmst te hebben, vertrokken we richting Patrizia’s huis.

Op weg daarnaartoe viel het op dat de gemiddelde leeftijd van de mensen op straat ver boven de zestig was. Ondanks hun extreem lage looptempo was het toch duidelijk dat deze bejaarden waren opgegroeid in het asociale Italiaanse stadsverkeer, want de niemand-laten-inhalen-techniek was tot in de puntjes geperfectioneerd.

Toen we aankwamen bij het Piazza Giuseppe Garibaldi, een ideale ontmoetingsplaats op slechts een flinke steenworp afstand van Patrizia’s huis, begonnen we toch het idee te krijgen dat de communicatie misschien niet helemaal goed was verlopen. Na een verhelderend telefoontje met de laatkomers zijn we omgedraaid en teruggelopen naar het hotel.

The rest, as they say… staat hierboven.

Geef een antwoord