Op 27 februari 2012 keek Stefan toevallig op zijn Last.fm-profiel om te zien welke cd’s hij nu eigenlijk het vaakst had geluisterd sinds 22 september 2004 – de dag dat hij lid werd van de muziekstatistieksite. In de hoop nu eindelijk eens uit te leggen waarom de muziek in kwestie hem nu zo dierbaar is, loopt hij op ditisstefan.nl de top 25 langs.

11: The Whitest Boy Alive – Dreams (2006)

Na enkele elektronische soloprojecten kreeg Erlend Øye weer zin om in een band te spelen. Maar niet een band waarbij over iedere noot wordt gediscussieerd en nagedacht – zoals de Kings of Convenience. Nee, een band die vrolijk, impulsief en direct is. Die met een beetje geluk ook nog de voetjes van de vloer krijgt. Positief, maar realistisch. Dromerig, maar ook met humor.

En zoals zo af en toe gebeurt in de muziekwereld, sloegen de initiatiefnemers hiermee de spijker op zijn kop. The Whitest Boy Alive – en inderdaad, een veel “wittere” zanger dan de Noor Erlend kun je je bijna niet voorstellen – begon al eind 2003 als een elektronisch project en evolueerde langzaam tot het viertal mensen dat zonder hulp van geprogrammeerde elementen dansbare muziek maakt. Het eerste nummer dat de band (het project) uitbrengt is dan ook een elektronische, bijna statische versie van InflationIn 2006 resulteerde dat alles in Dreams waar dat zelfde nummer op staat, maar dan met live instrumenten (en “heart”). En de Erlend die we al kenden van Kings of Convenience horen we hier als vanouds, maar dan met een sound waarin zijn ingetogen vocalen perfect tot hun recht komen. Niet dat die niet mooi klonken in samenzang, maar de dromerige solostem die we hier horen… Je moet er van houden en ik hou er van!

En met mij vele anderen, want opvolger Rules bombardeerde de band tot ware festivalhit en verzamelpunt van muzieknerds EN hipsters alike. Maar Dreams kwam daarvoor te vroeg. Het is een album dat bescheiden werd neergezet: uitgebracht door een eigen label (Bubbles) en een doe-het-zelf-mentaliteit waar veel muzikanten een voorbeeld aan kunnen nemen. De multinationale band, met als hoofdkwartier Berlijn (hipper dan hip) timmerde aan de weg zonder noemenswaardig marketingbudget en trok in eerste instantie uitsluitend bestaande fans van Erlend. Dreams doet de titel eer aan: het is dromerige muziek waarop je met een beetje geluk met je voeten kan schuifelen.

Maar er gebeurde iets… De band bleek live best wel goed. Erlend kon eindelijk de foute pasjes doen die bij Kings of Convenience uit de toon zouden vallen en de andere bandleden maakten lol op hun eigen manier: een foute snor, een keyboardsolo, of zelfs elkaars instrumenten bespelen (met vaak hilarische gevolgen). En ergens tussen Amsterdam en Istanbul, daar ging het fout… Daar bloeide Erlend op tot een diva / leider / charismatische man die alleen nog uiterlijk een nerd is.

En waar opvolger Rules veel meer deze live feel van de band omarmt, is Dreams een echte studioplaat: meer voor de hoofdtelefoon dan de subwoofer. En dat is best wel geslaagd. Omdat de plaat met verschillende tracklists is uitgegeven op verschillende labels, kan ik niet anders dan gewoon mijn eigen versie bespreken – die van het Zweedse label Service. Opener Burning is een stamper die er niet om heen draait. Simpele tekst, simpel ritme en simpele gitaarnoten die de melodie uitspellen. So many people telling me one way, so many people telling me to stay, never a chance to have my mind made up, caught in a motion that I don’t want to stop. En dat dan heel vaak herhalen. In een interview gaf Erlend ooit aan dat hij zoveel dansbare muziek zo ‘dom’ vond qua tekst, maar qua variëteit doet hij hier zijn betoog weinig eer aan. Dit is een gebbetje, getuige de lachende bandleden aan het eind van het nummer: gewoon live een nummertje spelen en dat opnemen op de plaat. En dat dan als eerste nummer op de plaat zetten. Omdat het kan.

Burning is dan ook een uitzondering op de plaat, want verder mogen we hier spreken van eenzame liedjes met relatief diepgaande teksten – al gaan ze wel allemaal voor dezelfde thematiek. Het nummer wordt gevolgd door Above You waarin Erlend zijn rol van “kijk eens wat een slimme teksten die aan het eind van de dag allemaal over liefde gaan” aanneemt. If you have a way of knowing, every river can be crossed… Dat soort teksten. Deze rol zien we vaak in zijn oeuvre. Aan het eind verandert Above You in I Want You en het staat buiten kijf dat dat van begin af aan de bedoeling was geweest. Above You is niet het beste nummer van de cd, maar wel een van de belangrijkste. Het is namelijk een van de weinige nummers op de eerste cd waar synthesizers worden gebruikt – in de live shows en op de volgende cd een essentieel onderdeel van de band. Hier zijn de synths “briljant” al zeg ik het zelf.

Na het al eerder genoemde debuutliedje (Inflation) volgt Fireworks waarin het archetype van het Whitest Boy Alive liedje wordt neergelegd: de drummer volgt een vrij standaardritme, Erlend speelt een serie noten op de gitaar, Marcin Öz speelt een vergelijkbaar basloopje mee en waar nodig wordt het geheel onderbroken voor een gitaarsolo zonder echte climax – die wordt namelijk veroorzaakt door de drums of de synths. Fireworks lijdt wat mij betreft dan ook onder alle andere Whitest Boy Alive nummers. Dit nummer grijpt de kern, maar verliest daardoor de eigen identiteit.

Nee, dan Don’t Give Up, voor mij het absolute hoogtepunt van de cd en de belichaming van de ‘gevoelige’ Whitest Boy Alive. Hoewel er meer nummers op de cd staan die het leed van de moderne hipster/nerd/jongen verwoorden, is Don’t Give Up verreweg de mooiste. Niet alleen breekt het met de cd door een zachte sound (Rhodes), het bevat ook nog een mooie Call & Response die mij keer op keer kippenvel bezorgd.

Give me a reason to stay constantly ignored
(I don’t think I can)
Give me an angle that I haven’t tried before
(Not from where I stand)
A guarantee for being honestly compared
(Could not be found)
You want to live when life is sakenly unfair
(Stick around)

Don’t give up.

De historie van het nummer gaat ver terug, Erlend schreef het nummer voor Röyksopp (die het hier in 2003 al live spelen op Glastonbury), net als Remind Me en Poor Leno, maar dat duo wiste (per ongeluk?) de harde schijf en begon bij 0 voor hun tweede album en gezien de inmiddels bekoelde relatie tussen Erlend en de heren, kreeg het nummer een nieuwe tekst en titel (49 Percent) en een andere zanger. En hoewel het origineel met name in het refrein erg mooi is, moet ik toch concluderen dat de versie van The Whitest Boy Alive veel mooier is.

Daarna volgt wat mij betreft een klein dipje. De muzikaliteit van de band wordt verkend in Done With You, een nummer dat mij niet zo boeit, en worden variaties op het gevestigde thema gespeeld met Figures en Borders om daarna kei hard af te sluiten met twee toppers. Golden Cage is een van de beste nummers op de cd – ook met veel succes geremixed in dansbare vorm. Hier is Erlends stem in topvorm.

So you no longer care if it’s another day?
I guess I have been there, I guess I am there now
You knew what you wanted and you fought so hard
Just to find yourself sittting in a golden cage

Hier overigens de geslaagde Fred Falke remix – duurt ruim 8 minuten maar dan heb je ook wat – en respect om het toch nog melancholisch te laten klinken met vrolijke synthesizers:

Het album sluit af met melancholie: All Ears, een soort liefdesbrief en wederom een nummer dat Erlend al een paar jaar had liggen en later alsnog in een andere versie (met Kompis) werd uitgebracht. Niet de eerste keer en niet de laatste keer, want Erlend heeft er een handje van nummers wat jaren te laten rijpen voordat ze op plaat worden gezet. Dus werd de halve Rules-plaat al live gespeeld voordat er ook maar één nieuw nummer was opgenomen en verschenen er zelfs op die plaat nog nummers die ouder zijn dan de band zelf (afsluiter Island bijvoorbeeld).

Als je, zoals ik, na een paar jaar minder luisteren teruggrijpt naar deze plaat, valt je op hoe ingetogen en intiem de plaat is. Bijna geen cheesy teksten (Can you keep a secret? / No love can be guaranteed, it don’t come with no warranties zijn foute juweeltjes van de tweede plaats, maar niets van dat hier) of maniertjes waarmee Erlend de lachers op zijn hand krijgt, maar wel ruimte voor de essentie van de band. Want uiteindelijk is het allemaal leuk en aardig dat Erlend crowdsurfend door de zaal gaat, er moet ook een set met goede nummers staan. En een band met een verhaal. En dat is dat de Whitest Boy Alive aan het einde van de dag een dromer is, met een heel klein gouden hartje. En daar kunnen best veel hipsters en nerds (en ondergetekende) zich best mee identificeren.

Previous ArticleNext Article
Stefan is online adviseur, redacteur en tekstschrijver. Hij studeerde Nederlandse Taal & Cultuur in Nijmegen, maar werkt inmiddels bij ZB Communicatie & Media in Ede. In zijn vrije tijd speelt hij gitaar, maakt, ontwerpt en onderhoudt hij websites.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

I.

Ik hou helemaal niet van festivals

Als muziekliefhebber heb ik honderden concerten bezocht in mijn leven. Er waren grote concerten bij – in de Amsterdam ArenA bijvoorbeeld, en ook hele kleine huiskamerconcerten ergens in Nijmegen. Ik ben ervoor naar Groningen geweest, naar Den Haag en in kleine Limburgse dorpen. En ik deed dat meestal met vrienden en soms alleen. Met vrienden is meestal leuker, gedeeld plezier immers. Dus je zou zeggen dat een festival de logische volgende stap is. Maar ik hou helemaal niet van festivals.

Lekker de camping op met wat vrienden, chillen in het gras, biertje erbij en genieten van de zon. Oh ja, en je favoriete bands natuurlijk. Het lijkt een ideaal weekend voor iedere muziekliefhebber. Toch spraken de grote festivals me nooit echt aan. Lowlands en Pinkpop: ik ben er nooit geweest. Lach me maar uit. De 3voor12-stream volgen: prima. Maar ik voelde nooit de behoefte om erheen te gaan. Eén keer ging ik een dag op en neer naar Best Kept Secret. Ik zag er onder andere The Tallest Man On Earth, Franz Ferdinand en The War On Drugs. En nog meer. Verder pakte ik eens een dagje Motel Mozaïque mee en het Naked Song Festival in Eindhoven. En natuurlijk loop ik als Nijmegenaar rond op het Valkhoffestival. Maar dat was het dan ook, tot ik me dit jaar liet overhalen om af te reizen naar Down The Rabbit Hole. Vooruit.

Vooruit, zeg ik, maar die camping kregen ze me niet op. Het was ook een last minute beslissing om nog te gaan, en om nu ook nog een tent te regelen. Het leek mij beter om de spreekwoordelijke kat uit de boom te kijken en dus op en neer te gaan naar Ewijk/Beuningen of waar De Groene Heuvels zich ook mogen bevinden. Op de fiets, dacht ik op dag één, maar met veertien kilometer straffe wind en open veld op de route besloot ik op dag twee de OV-optie te nemen. Naar station Wijchen dus – en daar met een nogal onvoorspelbare pendelbus naar het terrein. Niet ideaal, maar uiteindelijk acceptabel – ik had minder pech dan andere mensen die op en neer reisden met deze bus.

Dag drie kon ik een lift krijgen van een vriend met een auto: we lachten allebei over het gemak waarmee we richting het konijnenhol reden: “volgend jaar kan dit iedere dag joh!” En toen werden we, op 200 meter van het terrein, rechtsaf gestuurd, terug de snelweg op en na een omleiding van zeker een kwartier – dat is een verdubbeling van de reistijd – bereiken we alsnog het parkeerterrein. Conclusie: je kunt beter blijven slapen op het terrein.

MAAR IS DAT WEL ZO? Want iedere ochtend hoorde ik horrorverhalen, ofwel van de afgelopen nacht, ofwel van eerdere festivals. Over loeiende generatoren, over lallende mensen, of gewoon over vieze Hollandse regen, die omdat het tentdoek net niet helemaal lekker strak staat, gewoon de tent inkomt. Maar verder is het genieten hoor, op zo’n festivalcamping. Lekker in de rij voor de douches of acrobatische toeren op een vieze wc-bril een grote boodschap verkondigen. Nee, toen ik ‘s morgens wakker werd in mijn eigen bed, uitgeslapen en wel, kon ik er weer vol tegenaan. Vergelijk dat met de meewarige, verslagen mensen die op de zondag al vertrokken omdat ze er genoeg van hadden… Dat gaat toch tegen het motto “we verkopen geen dagkaarten dus everybody is in for the whole ride” in…

Dus natuurlijk mag je mij uitlachen, uitschelden voor luxepoes of ‘geen echte’, maar als ik dan zo’n meerdaags festival moet doen, dan doe ik het op mijn eigen manier. Want natuurlijk hou ik wel van gezelligheid, maar niet van halfdronken idioten. Ik kom zo’n terrein op en denk de eerste tien minuten: ik draai weer om… Natuurlijk hou ik van ‘s avonds goede gesprekken voeren, maar niet in een doorweekte tent. Nee, deze jongen was er heel blij mee dat hij ‘s avonds naar huis kon en ‘s morgens weer fris op kon staan. Mijn festivalplezier wordt niet vergroot door een legging te kopen en aan te trekken omdat mijn andere kleren doorweekt zijn. Of door de derde dag heenworstelen omdat ik geen oog heb dichtgedaan.

Want daardoor heb ik dus in vrij optima forma gezien – in chronologische volgorde: Nick Mulvey (jeej), Bear’s Den, Bonobo (jeej), Sinkane (mijn ontdekking van het festival) Moderat (meh), Spinvis (jeej), Moss, Soulwax (had ik van kunnen genieten als ik niet helemaal achteraan naast een paar Wijchenaren had gestaan die over hun werk aan het kleppen waren – ik ga nu een experimenteel theaterstuk opzetten waarbij ik een headliner laat spelen en tegelijkertijd een groep mensen met luide stem er overheen laat kletsen), Fleet Foxes (niet echt een zaterdagavondband helaas), The Avalanches (haha), Spoon (duizend hartjes voor Spoon), Xavier Rudd (iets te veel clichés met zijn tuinbroek enzo, maar wel een gave didgeridoo), War Paint (matig geluid daar, net als bij veel andere acts trouwens) en Father John Misty (zo gaaf!). Het was vet, muzikaal was het mooi en het was gezellig. En als ik weg wilde, kon ik weg.

Ik heb dit weekend geleerd dat je festivals vooral op je eigen manier moet doen, want dat doet iedereen. En mijn manier is dus niet all-in de camping op met kutweer. Mijn manier is met enig comfort, een introvertveilige zone en vooral genieten van de muziek. Want dat heeft Down The Rabbit Hole dus wel gedaan: ik realiseerde me weer hoe tof ik bandjes, singer-songwriters en zelfs elektronische acts vind. En hoe weinig ik er eigenlijk ken.

Dus misschien doe ik in de toekomst nog wel eens een festivalweekend. En wellicht ook wel Down The Rabbit Hole. Maar dan doe ik het wel op mijn manier. En ik zeg niet dat die beter is, maar ik word er in ieder geval gelukkiger van. En ik geniet er niet minder om.

N.b. overigens heb ik dus op de organisatie van Down The Rabbit Hole niet veel aan te merken, behalve dat het festivalterrein dus duidelijk niet in Beuningen is én dat de pendelbus vanaf Nijmegen relaxter zou zijn geweest voor vrijwel iedereen, dat het geluid soms tegenviel en dat de omleidingsroute wel extreem was… Maar ja, verder dus wel props. 😉