De twaalf meest geluisterde albums, en een korte beschrijving.

1 Ewert and the Two Dragons – Good Man Down

Zoals ik al riep gisteren: artiest, liedje en album van het jaar. Minstens negen goede liedjes op dit album en dan sta je al gauw op eenzame hoogte, of in ieder geval bovenaan. Good Man Down is folk met wat magie, navelstaren met muzikale kwaliteit maar bovenal een echte mannenplaat geworden. Terwijl dit soort bandjes het vaak vooral bij vrouwen goed doet. Had dertien-in-een-dozijn kunnen zijn, maar is dat niet. Gelukkig. Nog niet genoemd om dit blog, maar wel mooi: Road to the Hill.

2 The Decemberists – The King Is Dead

Een plaat van The Decemberists die ik pas begin dit jaar echt begon te luisteren. De grandeur lijkt ogenschijnlijk verdwenen en een Amerikaanse traditie van korte liedjes wordt gemengd met Britse invloeden. The King Is Dead is een prachtige plaat, met voor mij als absoluut hoogtepunt June HymnOok mooi: This Is Why We FightDear Avery en Rise To Me.

3 Olly Knights – If Not Now When

Zoals ik op Ether Site schreef:

The title track is a better indication of the way the record sounds: traditional, referring to Nick Drake rather than Damien Rice. The album features hardly any reference to modern culture and media let alone autotune or dub step. The songwriting is rather British too. Side A closes – after some excellent vocal work on the tracks before that – with a song called Searching For England. You could assume that this is one of the few traditional folky songs – one that reminds me of Laura Marling, but the fact is that Side B is full of these kind of songs.

When I switch off my record player and the turntable slows to a halt, I’m left with the feeling that my world is just a tiny bit better. And it wasn’t that bad in the first place. If Not Now When is music for the mind, not for the dance floor. But my feet are tapping along and my heart is singing out. Listen to the record and you’ll know what I mean.

4 Damien Jurado – Maraqopa

Maraqopa is een overwinning voor Jurado. Net weer een stapje verder dan de voorganger, die mooier en toegankelijker was. Op Maraqopa zoekt hij samen met producer Swift de grenzen op van zijn geluid en met succes. Als je maar van zijn stem houdt, kan er bij dit album niet veel fout gaan.

5 Jens Lekman – I Know What Love Isn’t

Wellicht nét niet zo goed als Night Falls Over Kortedala, maar dat was ook wat veel gevraagd. Ik schreef:

Misschien lijkt het in deze bespreking dat Jens een album vol drama heeft gemaakt, maar het mooie is dat er uiteindelijk voldoende humor en relativering in de muziek en de teksten zit. Voldoende humor en relativering om het tot een leuke plaat te maken. Jens snapt zelf ook dat het belachelijk is om liefdesproblemen en wereldproblematiek met elkaar te verbinden, maar het is desch’ mensch’ eigensch’ om dat toch te doen. De rechtvaardiging voor de cd zit hem in de afsluiter, een sobere gitaartokkel waarin Jens zingt over het feit dat hij nergens anders over kan zingen dan over “haar”.

6 Ellie Goulding – Halcyon

Het leek er altijd een beetje op of Ellie Goulding het zou afleggen tegen haar tijdgenoten. Als een soort Florence & The Machine – light. Wel een mooie, eigen geluid, maar te weinig karakter. Haar bekendste liedje was een timide cover van Your Song. Was. Want sinds dit jaar is lieve Ellie een ster in de VS dankzij Lights en op Halcyon omarmt ze mythologie, elektronica en een bombastische productie die nooit saai is. Een gebrek aan karakter kun je haar niet verwijten, wel dat ze misschien wat ver doorschoot. Het is een hele zit, een heel album Ellie. Maar een fijne zit. Dat wel.

7 Andrew Bird – Break It Yourself

Een matige eerste single deed me het ergste vermoeden voor de nieuwe Andrew Bird, de man met de viool, maar Break It Yourself is inmiddels mijn favoriete album van de man. Diverser dan ooit tevoren, met hier een rockend, daar een dansbaar stuk, maar altijd die doordachte melodie en tekst en altijd mooi rond. Die goede oude Bird bereikt nieuwe hoogten op Danse Carribe en Orpheo Looks Back. Andrew Bird is niet de makkelijkste artiest om naar te luisteren, maar als het klikt dan klikt het goed…

8 Fleet Foxes – Helplessness Blues

Net als het eerste album van Fleet Foxes is Helplessness Blues een klassieker. Het album liet me dit jaar dan ook niet los. En wat wil je, met teksten als:

I was raised up believing I was somehow unique
Like a snowflake distinct among snowflakes, unique in each way you can see
And now after some thinking, I’d say I’d rather be
A functioning cog in some great machinery serving something beyond me

Dus als je mij binnenkort weer eens out of the blue de woorden If I had an orchard hoort meezingen, weet je hoe het komt.

9 Passenger – All The Little Lights

Niet het beste album uit de lijst, wel het meest toegankelijke. Schrijf hem niet af op basis van de ‘makkelijke’ single Let Her Go want All the Little Lights gaat over teleurstellingen, tegenslagen en eenzaamheid. Zonder dat de plaat ooit zielig wordt. Als een ware busker weet hij hoe hij makkelijk kan scoren, maar ook hoe hij in een paar minuten een toevallige luisteraar kan pakken. En I Hate natuurlijk.

10 Tom McRae – From The Lowlands

Wie had dat gedacht, dat Tom McRae dit jaar zomaar even in eigen beheer zijn beste plaat in jaren zou uitbrengen. In de steek gelaten door platenlabel Cooking Vinyl ging hij aan de slag met een nieuw album om uiteindelijk toch even tussendoor het tweede deel van zijn Alphabet Of Hurricanes-albums uit te brengen. Want die vorige plaat moest nog een vervolg krijgen en de liedjes daarvan lieten hem niet los. Geen dure productie, geen grootse sound, alleen wat strijkers op het afsluitende Alphabet of Hurricanes. Dit zijn Toms donkerste, eerlijkste en beste songs in jaren, voor het eerst niet gekleurd door een bepaalde productiestijl of door gastmuzikanten. Dit is Tom zoals we hem live al jaren zien: zwartgallig, af en toe een lichte noot maar vooral onbeschrijflijk mooi. Als het goed is bereikt de plaat volgend jaar alsnog een groter publiek. Er schijnt weer een label geïnteresseerd te zijn. De vraag is voor hoelang… Tom heeft al heel wat labels versleten door de jaren heen…

11 Tarq Bowen – Tarq Bowen LP

Hij is er zelf vast niet blij mee dat zijn mini-album zo hoog in mijn top 12 staat, maar daar kan ik niks aan doen. Tarq leerde ik afgelopen zomer kennen via een gemeenschappelijke vriendin en blijkt naast een irritantgoede gitarist ook nog een schappelijke vent. Zijn mini-album bevat vrij radiovriendelijke versies van de liedjes die hij live vol overgave en met een randje speelt. Opener The Madness Still Found You heeft hij zelf inmiddels afgeschreven – waarschijnlijk te commercieel – maar iedereen die ik het laat horen neuriet meteen mee bij het tweede refrein. En het is niet eens zijn beste nummer. Fijne stem en fijne liedjes.

12 Tom McRae – The Streetlight Collection

Tom McRae zonder label betekent releases in eigen beheer. Zoals deze b-sides en rarities collectie. Streetlight is zonder meer een van de mooiste nooit uitgebrachte singles van Tom en daarom terecht naamgever van deze collectie. Maar er staan meer juweeltjes op – zoals mijn favoriete Tom McRae nummer ooit – A Thousand Suns – en The Only Thing I Know:

Jesus Christ Was that my tongue or a knife
The things I say, babe, leave me ashamed
My skin burns from the flames I’ve got gasoline in my veins
I’ve got the sun at my back, the world in my sights
So strike up the band I’ll put the flames out with my own hands
For you

Go on, go on, go on
Take all of me, don’t let this be the only thing I know
Don’t ever let go

Mooi bitterzoet weer, erg mooi.

Previous ArticleNext Article
Stefan is online adviseur, redacteur en tekstschrijver. Hij studeerde Nederlandse Taal & Cultuur in Nijmegen, maar werkt inmiddels bij ZB Communicatie & Media in Ede. In zijn vrije tijd speelt hij gitaar, maakt, ontwerpt en onderhoudt hij websites.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

I.

Ik hou helemaal niet van festivals

Als muziekliefhebber heb ik honderden concerten bezocht in mijn leven. Er waren grote concerten bij – in de Amsterdam ArenA bijvoorbeeld, en ook hele kleine huiskamerconcerten ergens in Nijmegen. Ik ben ervoor naar Groningen geweest, naar Den Haag en in kleine Limburgse dorpen. En ik deed dat meestal met vrienden en soms alleen. Met vrienden is meestal leuker, gedeeld plezier immers. Dus je zou zeggen dat een festival de logische volgende stap is. Maar ik hou helemaal niet van festivals.

Lekker de camping op met wat vrienden, chillen in het gras, biertje erbij en genieten van de zon. Oh ja, en je favoriete bands natuurlijk. Het lijkt een ideaal weekend voor iedere muziekliefhebber. Toch spraken de grote festivals me nooit echt aan. Lowlands en Pinkpop: ik ben er nooit geweest. Lach me maar uit. De 3voor12-stream volgen: prima. Maar ik voelde nooit de behoefte om erheen te gaan. Eén keer ging ik een dag op en neer naar Best Kept Secret. Ik zag er onder andere The Tallest Man On Earth, Franz Ferdinand en The War On Drugs. En nog meer. Verder pakte ik eens een dagje Motel Mozaïque mee en het Naked Song Festival in Eindhoven. En natuurlijk loop ik als Nijmegenaar rond op het Valkhoffestival. Maar dat was het dan ook, tot ik me dit jaar liet overhalen om af te reizen naar Down The Rabbit Hole. Vooruit.

Vooruit, zeg ik, maar die camping kregen ze me niet op. Het was ook een last minute beslissing om nog te gaan, en om nu ook nog een tent te regelen. Het leek mij beter om de spreekwoordelijke kat uit de boom te kijken en dus op en neer te gaan naar Ewijk/Beuningen of waar De Groene Heuvels zich ook mogen bevinden. Op de fiets, dacht ik op dag één, maar met veertien kilometer straffe wind en open veld op de route besloot ik op dag twee de OV-optie te nemen. Naar station Wijchen dus – en daar met een nogal onvoorspelbare pendelbus naar het terrein. Niet ideaal, maar uiteindelijk acceptabel – ik had minder pech dan andere mensen die op en neer reisden met deze bus.

Dag drie kon ik een lift krijgen van een vriend met een auto: we lachten allebei over het gemak waarmee we richting het konijnenhol reden: “volgend jaar kan dit iedere dag joh!” En toen werden we, op 200 meter van het terrein, rechtsaf gestuurd, terug de snelweg op en na een omleiding van zeker een kwartier – dat is een verdubbeling van de reistijd – bereiken we alsnog het parkeerterrein. Conclusie: je kunt beter blijven slapen op het terrein.

MAAR IS DAT WEL ZO? Want iedere ochtend hoorde ik horrorverhalen, ofwel van de afgelopen nacht, ofwel van eerdere festivals. Over loeiende generatoren, over lallende mensen, of gewoon over vieze Hollandse regen, die omdat het tentdoek net niet helemaal lekker strak staat, gewoon de tent inkomt. Maar verder is het genieten hoor, op zo’n festivalcamping. Lekker in de rij voor de douches of acrobatische toeren op een vieze wc-bril een grote boodschap verkondigen. Nee, toen ik ‘s morgens wakker werd in mijn eigen bed, uitgeslapen en wel, kon ik er weer vol tegenaan. Vergelijk dat met de meewarige, verslagen mensen die op de zondag al vertrokken omdat ze er genoeg van hadden… Dat gaat toch tegen het motto “we verkopen geen dagkaarten dus everybody is in for the whole ride” in…

Dus natuurlijk mag je mij uitlachen, uitschelden voor luxepoes of ‘geen echte’, maar als ik dan zo’n meerdaags festival moet doen, dan doe ik het op mijn eigen manier. Want natuurlijk hou ik wel van gezelligheid, maar niet van halfdronken idioten. Ik kom zo’n terrein op en denk de eerste tien minuten: ik draai weer om… Natuurlijk hou ik van ‘s avonds goede gesprekken voeren, maar niet in een doorweekte tent. Nee, deze jongen was er heel blij mee dat hij ‘s avonds naar huis kon en ‘s morgens weer fris op kon staan. Mijn festivalplezier wordt niet vergroot door een legging te kopen en aan te trekken omdat mijn andere kleren doorweekt zijn. Of door de derde dag heenworstelen omdat ik geen oog heb dichtgedaan.

Want daardoor heb ik dus in vrij optima forma gezien – in chronologische volgorde: Nick Mulvey (jeej), Bear’s Den, Bonobo (jeej), Sinkane (mijn ontdekking van het festival) Moderat (meh), Spinvis (jeej), Moss, Soulwax (had ik van kunnen genieten als ik niet helemaal achteraan naast een paar Wijchenaren had gestaan die over hun werk aan het kleppen waren – ik ga nu een experimenteel theaterstuk opzetten waarbij ik een headliner laat spelen en tegelijkertijd een groep mensen met luide stem er overheen laat kletsen), Fleet Foxes (niet echt een zaterdagavondband helaas), The Avalanches (haha), Spoon (duizend hartjes voor Spoon), Xavier Rudd (iets te veel clichés met zijn tuinbroek enzo, maar wel een gave didgeridoo), War Paint (matig geluid daar, net als bij veel andere acts trouwens) en Father John Misty (zo gaaf!). Het was vet, muzikaal was het mooi en het was gezellig. En als ik weg wilde, kon ik weg.

Ik heb dit weekend geleerd dat je festivals vooral op je eigen manier moet doen, want dat doet iedereen. En mijn manier is dus niet all-in de camping op met kutweer. Mijn manier is met enig comfort, een introvertveilige zone en vooral genieten van de muziek. Want dat heeft Down The Rabbit Hole dus wel gedaan: ik realiseerde me weer hoe tof ik bandjes, singer-songwriters en zelfs elektronische acts vind. En hoe weinig ik er eigenlijk ken.

Dus misschien doe ik in de toekomst nog wel eens een festivalweekend. En wellicht ook wel Down The Rabbit Hole. Maar dan doe ik het wel op mijn manier. En ik zeg niet dat die beter is, maar ik word er in ieder geval gelukkiger van. En ik geniet er niet minder om.

N.b. overigens heb ik dus op de organisatie van Down The Rabbit Hole niet veel aan te merken, behalve dat het festivalterrein dus duidelijk niet in Beuningen is én dat de pendelbus vanaf Nijmegen relaxter zou zijn geweest voor vrijwel iedereen, dat het geluid soms tegenviel en dat de omleidingsroute wel extreem was… Maar ja, verder dus wel props. 😉