Het kan verkeren in de muziekwereld. Was het vroeger vast nog mogelijk om een tweede muziekleven te beginnen, inmiddels kun je niet meer helemaal van de map verdwijnen en terugkeren. We komen er toch achter. Phil Campbell, vroeger (we schrijven 2007/2008) uitgebreid besproken op dit blog met zijn singer/songwritercarrière, is een tweede (of officieel zelfs derde leven) begonnen met The Temperance Movement. De muziek is minder laf – vuiger zelfs. En om eerlijk te zijn, past de stem van Phil Campbell veel beter bij de scheurende gitaren dan bij de lieflijke akoestische gitaar, al wordt er af en toe nog akoestisch gespeeld.

Until The Ribbon Breaks 20130622 02_59_41

Maar het kan nog extremer. Pete Lawrie werd recent niet alleen getipt als knapste man van Wales, maar ook als nieuwe middle-of-the-road singer/songwriter. En dat vond ie niet eens erg, riep hij interview na interview – de single Half As Good was in veel opzichten een dieptepunt: wat begon als een aardig folkpop zanger was geëvolueerd tot album vol strijkers, blazers en geen greintje ‘eigenheid’. Dertien-in-een-dozijn, en de doorbraak kan niet, ondanks dat op het album best wat aardige, mooie nummers stonden. Alleen waren ze in niet overgeproduceerde vorm beter tot hun recht gekomen. Jammer.

Dat vond Pete vast zelf ook. Hij riep wel dat hij graag de mainstream opzocht, maar dat moest misschien wel… Ondertussen lekte hij demo’s, maakte hij mixtapes en coverde hij mooie liedjes uit het verleden. Toen het album definitief geflopt was of eigenlijk zodra het album uitkwam en Pete aan zijn verplichtingen jegens zijn label had voldaan, was het uit met de pret. Hij riep nog een keer via Twitter dat hij er genoeg van had, gaf al zijn demo’s en liedjes gratis weg via datzelfde sociale netwerk onder de naam All and Old en verdween.

Weg was de singer/songwriter. En toen ineens was er Until The Ribbon Breaks. Hij verhuisde naar Amerika, in zijn bio’s staat ineens een tweede naam (Pete Lawrie Winfield) en begint de muziek te maken die hij echt wil maken. Het is elektronisch, maar wel melodieus en vol emotie. En hij ondersteunt zijn liedjes met clips uit bekende films. Voor het eerst zingt hij niet hoopvol over algemene levenswijsheden (you might get what you ask for in the end), maar cynisch over de tijd waarin we leven (so don’t we look pretty with nowhere to go / it’s cool to be lonely didn’t you know? / I think I’ll marry a stranger that I met online / it’s not that it’s not love. / it’s just a sign of the times).

Vorig jaar verscheen al de voortreffelijke A Taste of Silver EP – zonder titeltrack maar met het excellente Romeo (You see I would have killed Romeo and save Juliet / But I don’t write stories that time won’t forget). Uiteraard voorzien van iconische beelden uit Romeo + Juliet  (de jaren ’90 versie van Baz Luhrmann) met Leonardo DiCaprio en Claire Danes. De EP is gratis te luisteren op Soundcloud.

Nu verschijnt de opvolger, The Other Ones, dat niet alleen verwijzingen bevat naar Pressure – een nummer op de vorige EP – maar ook een nummer bevat getiteld Until The Ribbon Breaks én een nummer genaamd A Taste of Silver – de titel van de vorige EP. Voor de fans van The Black Keys – maar dan elektronisch:

Naast dit laatste, groovende nummer is ook Goldfish een aanrader. Iets meer mellow van stijl en op deze site te luisteren. Alleen aan Petes stem is nog te herkennen dat het om dezelfde artiest gaat. Hij klinkt bevrijd. Bevrijd van verwachtingen. Een paar weken geleden speelde hij op showcase festival SXSW en werd hij door meerdere media uitgekozen tot one to watch. Het lijkt hem nu wel voor de wind te gaan. Zou het nu wel lukken om zijn carrière van de grond te krijgen? Het lijkt er wel op… Maar het kan verkeren.

Previous ArticleNext Article
Stefan is online adviseur, redacteur en tekstschrijver. Hij studeerde Nederlandse Taal & Cultuur in Nijmegen, maar werkt inmiddels bij ZB Communicatie & Media in Ede. In zijn vrije tijd speelt hij gitaar, maakt, ontwerpt en onderhoudt hij websites.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

I.

Ik hou helemaal niet van festivals

Als muziekliefhebber heb ik honderden concerten bezocht in mijn leven. Er waren grote concerten bij – in de Amsterdam ArenA bijvoorbeeld, en ook hele kleine huiskamerconcerten ergens in Nijmegen. Ik ben ervoor naar Groningen geweest, naar Den Haag en in kleine Limburgse dorpen. En ik deed dat meestal met vrienden en soms alleen. Met vrienden is meestal leuker, gedeeld plezier immers. Dus je zou zeggen dat een festival de logische volgende stap is. Maar ik hou helemaal niet van festivals.

Lekker de camping op met wat vrienden, chillen in het gras, biertje erbij en genieten van de zon. Oh ja, en je favoriete bands natuurlijk. Het lijkt een ideaal weekend voor iedere muziekliefhebber. Toch spraken de grote festivals me nooit echt aan. Lowlands en Pinkpop: ik ben er nooit geweest. Lach me maar uit. De 3voor12-stream volgen: prima. Maar ik voelde nooit de behoefte om erheen te gaan. Eén keer ging ik een dag op en neer naar Best Kept Secret. Ik zag er onder andere The Tallest Man On Earth, Franz Ferdinand en The War On Drugs. En nog meer. Verder pakte ik eens een dagje Motel Mozaïque mee en het Naked Song Festival in Eindhoven. En natuurlijk loop ik als Nijmegenaar rond op het Valkhoffestival. Maar dat was het dan ook, tot ik me dit jaar liet overhalen om af te reizen naar Down The Rabbit Hole. Vooruit.

Vooruit, zeg ik, maar die camping kregen ze me niet op. Het was ook een last minute beslissing om nog te gaan, en om nu ook nog een tent te regelen. Het leek mij beter om de spreekwoordelijke kat uit de boom te kijken en dus op en neer te gaan naar Ewijk/Beuningen of waar De Groene Heuvels zich ook mogen bevinden. Op de fiets, dacht ik op dag één, maar met veertien kilometer straffe wind en open veld op de route besloot ik op dag twee de OV-optie te nemen. Naar station Wijchen dus – en daar met een nogal onvoorspelbare pendelbus naar het terrein. Niet ideaal, maar uiteindelijk acceptabel – ik had minder pech dan andere mensen die op en neer reisden met deze bus.

Dag drie kon ik een lift krijgen van een vriend met een auto: we lachten allebei over het gemak waarmee we richting het konijnenhol reden: “volgend jaar kan dit iedere dag joh!” En toen werden we, op 200 meter van het terrein, rechtsaf gestuurd, terug de snelweg op en na een omleiding van zeker een kwartier – dat is een verdubbeling van de reistijd – bereiken we alsnog het parkeerterrein. Conclusie: je kunt beter blijven slapen op het terrein.

MAAR IS DAT WEL ZO? Want iedere ochtend hoorde ik horrorverhalen, ofwel van de afgelopen nacht, ofwel van eerdere festivals. Over loeiende generatoren, over lallende mensen, of gewoon over vieze Hollandse regen, die omdat het tentdoek net niet helemaal lekker strak staat, gewoon de tent inkomt. Maar verder is het genieten hoor, op zo’n festivalcamping. Lekker in de rij voor de douches of acrobatische toeren op een vieze wc-bril een grote boodschap verkondigen. Nee, toen ik ‘s morgens wakker werd in mijn eigen bed, uitgeslapen en wel, kon ik er weer vol tegenaan. Vergelijk dat met de meewarige, verslagen mensen die op de zondag al vertrokken omdat ze er genoeg van hadden… Dat gaat toch tegen het motto “we verkopen geen dagkaarten dus everybody is in for the whole ride” in…

Dus natuurlijk mag je mij uitlachen, uitschelden voor luxepoes of ‘geen echte’, maar als ik dan zo’n meerdaags festival moet doen, dan doe ik het op mijn eigen manier. Want natuurlijk hou ik wel van gezelligheid, maar niet van halfdronken idioten. Ik kom zo’n terrein op en denk de eerste tien minuten: ik draai weer om… Natuurlijk hou ik van ‘s avonds goede gesprekken voeren, maar niet in een doorweekte tent. Nee, deze jongen was er heel blij mee dat hij ‘s avonds naar huis kon en ‘s morgens weer fris op kon staan. Mijn festivalplezier wordt niet vergroot door een legging te kopen en aan te trekken omdat mijn andere kleren doorweekt zijn. Of door de derde dag heenworstelen omdat ik geen oog heb dichtgedaan.

Want daardoor heb ik dus in vrij optima forma gezien – in chronologische volgorde: Nick Mulvey (jeej), Bear’s Den, Bonobo (jeej), Sinkane (mijn ontdekking van het festival) Moderat (meh), Spinvis (jeej), Moss, Soulwax (had ik van kunnen genieten als ik niet helemaal achteraan naast een paar Wijchenaren had gestaan die over hun werk aan het kleppen waren – ik ga nu een experimenteel theaterstuk opzetten waarbij ik een headliner laat spelen en tegelijkertijd een groep mensen met luide stem er overheen laat kletsen), Fleet Foxes (niet echt een zaterdagavondband helaas), The Avalanches (haha), Spoon (duizend hartjes voor Spoon), Xavier Rudd (iets te veel clichés met zijn tuinbroek enzo, maar wel een gave didgeridoo), War Paint (matig geluid daar, net als bij veel andere acts trouwens) en Father John Misty (zo gaaf!). Het was vet, muzikaal was het mooi en het was gezellig. En als ik weg wilde, kon ik weg.

Ik heb dit weekend geleerd dat je festivals vooral op je eigen manier moet doen, want dat doet iedereen. En mijn manier is dus niet all-in de camping op met kutweer. Mijn manier is met enig comfort, een introvertveilige zone en vooral genieten van de muziek. Want dat heeft Down The Rabbit Hole dus wel gedaan: ik realiseerde me weer hoe tof ik bandjes, singer-songwriters en zelfs elektronische acts vind. En hoe weinig ik er eigenlijk ken.

Dus misschien doe ik in de toekomst nog wel eens een festivalweekend. En wellicht ook wel Down The Rabbit Hole. Maar dan doe ik het wel op mijn manier. En ik zeg niet dat die beter is, maar ik word er in ieder geval gelukkiger van. En ik geniet er niet minder om.

N.b. overigens heb ik dus op de organisatie van Down The Rabbit Hole niet veel aan te merken, behalve dat het festivalterrein dus duidelijk niet in Beuningen is én dat de pendelbus vanaf Nijmegen relaxter zou zijn geweest voor vrijwel iedereen, dat het geluid soms tegenviel en dat de omleidingsroute wel extreem was… Maar ja, verder dus wel props. 😉