Ken je het Amélie-effect? Dat iedereen tegen je zegt: “je moet Amélie kijken!” Zo vaak, dat je denkt: “Amélie kan me aan me achterwerk oxideren.” En dat je die film dan heel lang niet kijkt. Ik had iets vergelijkbaars met Radiohead. De cultus van fans was zo intens tussen In Rainbows en The King of Limbs dat ik die vorige plaat spontaan vijf jaar lang niet luisterde. Nu is er A Moon Shaped Pool en neem ik mijn woorden terug. Sorry, Radiohead: jullie hoeven niet op te rotten. 

In 2009 schreef ik op mijn eigen blog het niet extreem doordachte stuk ‘Rot op Radiohead’. Het kwam voort uit een frustratie, met name gericht op het blinde kuddegedrag van veel Radiohead-fans op internet. Mijn standpunt was ongeveer: “Jongens. Radiohead is ook maar een band. Ze maken liedjes waar je van kunt houden als je dat graag wilt.” En: “Ze mogen dan niet het toonbeeld van commercie zijn, maar ik zou Radiohead wel degelijk willen positioneren als alternatieve boyband: het geld, de fanbase en de middelen om platen te verkopen, hebben ze tot hun beschikking. Dan is er natuurlijk geen kunst meer aan om het halve internet in je greep te houden. (…) Rot op Radiohead. Maak ruimte voor de rest. Blijf vooral goede muziek maken. Maar cut the crap.”

Nou ja, dat “ruimte voor de rest” was wel een beetje de kern van de zaak. Ik vond dat door het creëren van een soort online cultus hele mooie andere muziek ondersneeuwde en werd afgeschreven door Radiohead-fans voordat het uitkwam. Het was alsof critici, muziekliefhebbers bij alles wat er in de muziekwereld gebeurde zeiden: “Ja, leuk, maar Radiohead… Man, dat is pas goed…” Meten met twee maten, waarbij niks aan kan tippen aan het grote heilige Radiohead. Toen ik mijn stukje schreef in 2009 zaten we in het begin van de aanloop naar The King of Limbs en hadden onze Radiohead-vrienden net een liedje “GELEKT” via Torrent-sites. Awesome. Als je toch al binnen bent als band, kun je dat dus doen. Maar die singer/songwriter om de hoek heeft er niks aan. En dat werd wel vaak geimpliceerd door de fans die de band vereerden.

Enfin, ik was een beetje aggressief – en moe. Want uiteindelijk maakt Radiohead ook maar liedjes die bestaan uit akkoorden en noten. Alleen omdat die op het eerste gehoor misschien wat gecompliceerder klinken, betekent nog niet dat ze dat ook zijn. Of dat ze zo veel meer van je waardering waard zijn. Ik wil niet bij ieder stuk wat ik schrijf mijn favoriete band aan halen (Turin Brakes mensen! Turin Brakes!), maar als de zanger van Turin Brakes zingt dat de hoofdpersoon in The Invitation “the ruler of this Internet” is, wordt ie door de mangel gehaald, terwijl Thom Yorke weg komt met veel matigere lyrics die dan ineens maatschappijkritisch zijn (Pitchfork: “Thom Yorke has sharply peppered his lyrics with everyday cliches to suggest a mind consumed by meaningless data”).

Dat meten met twee maten, vooral door hosanna-fans, daar was ik dus moe van. Zo moe dat ik The King of Limbs heel lang niet heb geluisterd. Eigenlijk ben ik daar pas het laatste jaar mee begonnen. Ik haat Radiohead namelijk niet echt. In tegendeel, ze maken best toffe nummers. Mijn wereld verandert er niet bepaald door, maar we mogen in ieder geval stellen dat de muziekscène een stuk saaier zou zijn zonder Radiohead.

Dat blijkt anno 2016 uit het ontzettend mooie A Moon Shaped Pool. Het is me gelukt om me over mijn aversie jegens die twee maten, die Radiohead-cultus, te zetten en gewoon van A Moon Shaped Pool te houden. Net zoals Damien Rice op My Favourite Faded Fantasy na heel veel jaren met strijkers en een duidelijke toon en stijl een vollere, sterker gedefinieerde versie van zichzelf neerzette, zo zet Radiohead op A Moon Shaped Pool weer een duidelijke lijn uit waarin ontzettend mooie instrumenten worden gebruikt – gitaar, piano en strijkers. En wat teruggespoelde vocalen natuurlijk. Het contrast met de wat desolate stem van Thom Yorke is duidelijk waarneembaar. Desert Island Disk begint als folk song en wordt dan subtiel opgebouwd. Op Glass Eyes lijken de strijkers van Antony & The Johnsons te zijn geleend – en het is ergens in de tweede helft van het album dat het soundtrack werk van Jonny Greenwood (o.a. The Master, Inherent Vice) begint door te schemeren. En of je dit nu het beste Radiohead-album van de afgelopen vijftien jaar vindt of niet, in een tijd waarin de wereld langzaam uit elkaar lijkt te vallen, is dit een passende sountrack.

En in een tijd waarin Kanye West een Famous-video online knalt, Beyonce een nieuw album op HBO laat zien en we iedere vijf minuten een nieuwe viral te zien hebben, is de dominantie van Radiohead-marketing en hype ook veel minder dominant geworden. En dus voor mij beter te pruimen. Heb ik dan niks meer te zeuren? Ja, dat Pitchfork het nodig vindt om de online cultus te analyseren (in een best tof artikel) en dat ik er een stuk over schrijf en een beetje bij draag aan de cultus (misschien dat ik daarom een paar weken heb gewacht met schrijven?). Ja, dat ze zo’n kleine zalen speelden tijdens de afgelopen Europese tour. Is natuurlijk ook leuker voor de band, maar als je als band makkelijk de Ziggo Dome kunt uitverkopen, speel die dan ook gewoon in plaats van je kaarten nog duurder te maken en in de HMH te blijven hangen.

Maar dat is het dan ook wel. Ik zal wel altijd enige jeuk houden tegenover onnodige overdreven verering van bands. Maar Radiohead hoeft niet meer op te rotten van mij. Ik was ook vooral boos op de fans en een beetje op het management. Maar: sorry jongens. Jullie maken best leuke muziek. Sterker nog: A Moon Shaped Pool is de eerste plaat die ik daadwerkelijk ga kopen. Maar niet vanwege de hype. Vanwege de mooie liedjes.

‘A Moon Shaped Pool’ is gewoon te streamen op Spotify en vergelijkbare diensten. Gewoon, net als alle andere popmuziek! En ook te koop in de winkels. 

Previous ArticleNext Article
Stefan is online adviseur, redacteur en tekstschrijver. Hij studeerde Nederlandse Taal & Cultuur in Nijmegen, maar werkt inmiddels bij ZB Communicatie & Media in Ede. In zijn vrije tijd speelt hij gitaar, maakt, ontwerpt en onderhoudt hij websites.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

I.

Ik hou helemaal niet van festivals

Als muziekliefhebber heb ik honderden concerten bezocht in mijn leven. Er waren grote concerten bij – in de Amsterdam ArenA bijvoorbeeld, en ook hele kleine huiskamerconcerten ergens in Nijmegen. Ik ben ervoor naar Groningen geweest, naar Den Haag en in kleine Limburgse dorpen. En ik deed dat meestal met vrienden en soms alleen. Met vrienden is meestal leuker, gedeeld plezier immers. Dus je zou zeggen dat een festival de logische volgende stap is. Maar ik hou helemaal niet van festivals.

Lekker de camping op met wat vrienden, chillen in het gras, biertje erbij en genieten van de zon. Oh ja, en je favoriete bands natuurlijk. Het lijkt een ideaal weekend voor iedere muziekliefhebber. Toch spraken de grote festivals me nooit echt aan. Lowlands en Pinkpop: ik ben er nooit geweest. Lach me maar uit. De 3voor12-stream volgen: prima. Maar ik voelde nooit de behoefte om erheen te gaan. Eén keer ging ik een dag op en neer naar Best Kept Secret. Ik zag er onder andere The Tallest Man On Earth, Franz Ferdinand en The War On Drugs. En nog meer. Verder pakte ik eens een dagje Motel Mozaïque mee en het Naked Song Festival in Eindhoven. En natuurlijk loop ik als Nijmegenaar rond op het Valkhoffestival. Maar dat was het dan ook, tot ik me dit jaar liet overhalen om af te reizen naar Down The Rabbit Hole. Vooruit.

Vooruit, zeg ik, maar die camping kregen ze me niet op. Het was ook een last minute beslissing om nog te gaan, en om nu ook nog een tent te regelen. Het leek mij beter om de spreekwoordelijke kat uit de boom te kijken en dus op en neer te gaan naar Ewijk/Beuningen of waar De Groene Heuvels zich ook mogen bevinden. Op de fiets, dacht ik op dag één, maar met veertien kilometer straffe wind en open veld op de route besloot ik op dag twee de OV-optie te nemen. Naar station Wijchen dus – en daar met een nogal onvoorspelbare pendelbus naar het terrein. Niet ideaal, maar uiteindelijk acceptabel – ik had minder pech dan andere mensen die op en neer reisden met deze bus.

Dag drie kon ik een lift krijgen van een vriend met een auto: we lachten allebei over het gemak waarmee we richting het konijnenhol reden: “volgend jaar kan dit iedere dag joh!” En toen werden we, op 200 meter van het terrein, rechtsaf gestuurd, terug de snelweg op en na een omleiding van zeker een kwartier – dat is een verdubbeling van de reistijd – bereiken we alsnog het parkeerterrein. Conclusie: je kunt beter blijven slapen op het terrein.

MAAR IS DAT WEL ZO? Want iedere ochtend hoorde ik horrorverhalen, ofwel van de afgelopen nacht, ofwel van eerdere festivals. Over loeiende generatoren, over lallende mensen, of gewoon over vieze Hollandse regen, die omdat het tentdoek net niet helemaal lekker strak staat, gewoon de tent inkomt. Maar verder is het genieten hoor, op zo’n festivalcamping. Lekker in de rij voor de douches of acrobatische toeren op een vieze wc-bril een grote boodschap verkondigen. Nee, toen ik ‘s morgens wakker werd in mijn eigen bed, uitgeslapen en wel, kon ik er weer vol tegenaan. Vergelijk dat met de meewarige, verslagen mensen die op de zondag al vertrokken omdat ze er genoeg van hadden… Dat gaat toch tegen het motto “we verkopen geen dagkaarten dus everybody is in for the whole ride” in…

Dus natuurlijk mag je mij uitlachen, uitschelden voor luxepoes of ‘geen echte’, maar als ik dan zo’n meerdaags festival moet doen, dan doe ik het op mijn eigen manier. Want natuurlijk hou ik wel van gezelligheid, maar niet van halfdronken idioten. Ik kom zo’n terrein op en denk de eerste tien minuten: ik draai weer om… Natuurlijk hou ik van ‘s avonds goede gesprekken voeren, maar niet in een doorweekte tent. Nee, deze jongen was er heel blij mee dat hij ‘s avonds naar huis kon en ‘s morgens weer fris op kon staan. Mijn festivalplezier wordt niet vergroot door een legging te kopen en aan te trekken omdat mijn andere kleren doorweekt zijn. Of door de derde dag heenworstelen omdat ik geen oog heb dichtgedaan.

Want daardoor heb ik dus in vrij optima forma gezien – in chronologische volgorde: Nick Mulvey (jeej), Bear’s Den, Bonobo (jeej), Sinkane (mijn ontdekking van het festival) Moderat (meh), Spinvis (jeej), Moss, Soulwax (had ik van kunnen genieten als ik niet helemaal achteraan naast een paar Wijchenaren had gestaan die over hun werk aan het kleppen waren – ik ga nu een experimenteel theaterstuk opzetten waarbij ik een headliner laat spelen en tegelijkertijd een groep mensen met luide stem er overheen laat kletsen), Fleet Foxes (niet echt een zaterdagavondband helaas), The Avalanches (haha), Spoon (duizend hartjes voor Spoon), Xavier Rudd (iets te veel clichés met zijn tuinbroek enzo, maar wel een gave didgeridoo), War Paint (matig geluid daar, net als bij veel andere acts trouwens) en Father John Misty (zo gaaf!). Het was vet, muzikaal was het mooi en het was gezellig. En als ik weg wilde, kon ik weg.

Ik heb dit weekend geleerd dat je festivals vooral op je eigen manier moet doen, want dat doet iedereen. En mijn manier is dus niet all-in de camping op met kutweer. Mijn manier is met enig comfort, een introvertveilige zone en vooral genieten van de muziek. Want dat heeft Down The Rabbit Hole dus wel gedaan: ik realiseerde me weer hoe tof ik bandjes, singer-songwriters en zelfs elektronische acts vind. En hoe weinig ik er eigenlijk ken.

Dus misschien doe ik in de toekomst nog wel eens een festivalweekend. En wellicht ook wel Down The Rabbit Hole. Maar dan doe ik het wel op mijn manier. En ik zeg niet dat die beter is, maar ik word er in ieder geval gelukkiger van. En ik geniet er niet minder om.

N.b. overigens heb ik dus op de organisatie van Down The Rabbit Hole niet veel aan te merken, behalve dat het festivalterrein dus duidelijk niet in Beuningen is én dat de pendelbus vanaf Nijmegen relaxter zou zijn geweest voor vrijwel iedereen, dat het geluid soms tegenviel en dat de omleidingsroute wel extreem was… Maar ja, verder dus wel props. 😉