“Michael Kiwanuka is een Britse soulmuzikant. Hij wordt vergeleken met Marvin Gaye, Curtis Mayfield, Bill Withers, Randy Newman, Terry Callier en Otis Redding, alsmede Van Morrison en The Temptations.” Zo begint, vrij vertaald, de Wikipedia-pagina van Michael Kiwanuka, later deze maand in Nederland voor twee uitverkochte concerten in Paradiso en een show op het Rotterdamse Songbird Festival. Die vergelijkingen, met al die artiesten, zijn te begrijpen. Maar om na Love & Hate nog van een pastiche te spreken gaat te ver. Kiwanuka is namelijk ook heel erg van deze tijd.

Het grote publiek maakt kennis met Kiwanuka op het moment dat hij in 2012 door BBC een keurmerk kreeg opgeplakt en het album Home Again uit kwam. En dat was een prima, fijn debuut. Om met Atze de Vries van 3voor12 te sprekenZijn debuutalbum ‘Home Again’ belandde vooraan in de catalogus van ieder woonprogramma, en het was zo’n album dat je tijdens ieder vriendendiner op kon zetten zonder iemand te irriteren. Zo’n plaat waar je niet boos om kon worden dus. Dat is een kunst en een vak en het is dan ook niet heel gek dat Kiwanuka al gauw in het voorprogramma van Adele stond te zingen. Een decennium eerder was hij met Norah Jones meegestuurd, denk ik dan maar.

Het album stond in Nederland bovenaan de albumlijsten, maar was niet perfect. Het was hier en daar misschien te gestoeld op de jaren ’70. Sommige nummers waren wat deprimerend in toon en stijl, en wat braaf. De oplossing: koppel Kiwanuka aan een nieuwe producer met wat lef en een eigentijds geluid. Dat werd dus Danger Mouse, die eerder dit jaar de Red Hot Chili Peppers een nieuw jasje aanmat, maar daarvoor succesvoller hetzelfde trucje uithaalde met The Black Keys, Portugal. The Man en met eigen projecten als Gnarls Barkley en Broken Bells.

Het resultaat is een album met veel meer karakter. Love & Hate leent nog steeds van inspirerende voorgangers van Kiwanuka, maar het is tegelijkertijd veel diverser als geheel. Er zit hier en daar een typisch Danger Mouse-nummer tussen (zoals One More Night), maar verder gaat het alle kanten op. Single Black Man in a White World swingt, maar de tekst is bitterzoet (I’m in love, but I’m still sad/I found peace, but I’m not glad.)  terwijl de gitaren janken als in een jaren ’80 politieserie op Falling. Titelsong Love & Hate is met zeven minuten niet eens het langste nummer op de cd – dat is Cold Little Heart met bijna 10 minuten – maar het neemt de tijd om met strijkers, achtergrondkoortjes en een fijne bas een verhaal te vertellen. De effecten waarmee de stem van Kiwanuka uit de speakers komt zijn subtiel, maar aanwezig, de jengelende gitaar zet de toon.

Natuurlijk had een nummer als Rule The World ook vele jaren eerder door een van Kiwanuka’s voorgangers gemaakt kunnen worden, maar ook met die ontzettend fijne gitaarpartij? Of luister Cold Little Heart, dat is vrij direct soulnummer, waar wel pas na vijf minuten, als Michael zijn strot open trekt. I’ll Never Love heet een fantastische synthesizer erin, Father’s Child is een mooi lief nummer, maar we maken een psychedelische ruimtereis voordat het nummer voorbij is. Of zet The Final Frame met heerlijke lieve strijkers, een scheurende gitaar en toch weer gewoon die melancholische stem.

Was op Home Again Michael Kiwanuka nog een wat voorzichtige debutant die leentjebuur speelde bij grote voorgangers, op Love & Hate is de muziek helemaal eigen geworden. Die voelt grootser en zelfverzekerder, zeker de gitaarpartijen van Kiwanuka zelf. De teksten blijven erg introvert, met slechts hier en daar zinnen die wijzen op leed buiten het hart van Kiwanuka zelf. Black Man In A White World lijkt dan ook een uitzondering op een plaat waarin melancholische liefde vooral centraal staat. Maar gebroken harten, isolatie en eenzaamheid kennen we allemaal.  En op Love & Hate wordt het op verrukkelijke wijze allemaal iets draaglijker gemaakt. Dat resulteert ongetwijfeld in intense concerten later deze maand, vol navelstarende gitaristen, ritmische climaxen en snikken en uithalen die naar meer smaken. Knappe bezoeker die dan nog alleen maar aan al die voorgangers kan denken, zonder op te gaan in het moment. Nee, nog even en we kunnen Kiwanuka in hetzelfde rijtje noemen als die namen op zijn Wikipedia-pagina. Dat heeft ‘ie met Love & Hate al bijna verdiend.

Previous ArticleNext Article
Stefan is online adviseur, redacteur en tekstschrijver. Hij studeerde Nederlandse Taal & Cultuur in Nijmegen, maar werkt inmiddels bij ZB Communicatie & Media in Ede. In zijn vrije tijd speelt hij gitaar, maakt, ontwerpt en onderhoudt hij websites.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

I.

Ik hou helemaal niet van festivals

Als muziekliefhebber heb ik honderden concerten bezocht in mijn leven. Er waren grote concerten bij – in de Amsterdam ArenA bijvoorbeeld, en ook hele kleine huiskamerconcerten ergens in Nijmegen. Ik ben ervoor naar Groningen geweest, naar Den Haag en in kleine Limburgse dorpen. En ik deed dat meestal met vrienden en soms alleen. Met vrienden is meestal leuker, gedeeld plezier immers. Dus je zou zeggen dat een festival de logische volgende stap is. Maar ik hou helemaal niet van festivals.

Lekker de camping op met wat vrienden, chillen in het gras, biertje erbij en genieten van de zon. Oh ja, en je favoriete bands natuurlijk. Het lijkt een ideaal weekend voor iedere muziekliefhebber. Toch spraken de grote festivals me nooit echt aan. Lowlands en Pinkpop: ik ben er nooit geweest. Lach me maar uit. De 3voor12-stream volgen: prima. Maar ik voelde nooit de behoefte om erheen te gaan. Eén keer ging ik een dag op en neer naar Best Kept Secret. Ik zag er onder andere The Tallest Man On Earth, Franz Ferdinand en The War On Drugs. En nog meer. Verder pakte ik eens een dagje Motel Mozaïque mee en het Naked Song Festival in Eindhoven. En natuurlijk loop ik als Nijmegenaar rond op het Valkhoffestival. Maar dat was het dan ook, tot ik me dit jaar liet overhalen om af te reizen naar Down The Rabbit Hole. Vooruit.

Vooruit, zeg ik, maar die camping kregen ze me niet op. Het was ook een last minute beslissing om nog te gaan, en om nu ook nog een tent te regelen. Het leek mij beter om de spreekwoordelijke kat uit de boom te kijken en dus op en neer te gaan naar Ewijk/Beuningen of waar De Groene Heuvels zich ook mogen bevinden. Op de fiets, dacht ik op dag één, maar met veertien kilometer straffe wind en open veld op de route besloot ik op dag twee de OV-optie te nemen. Naar station Wijchen dus – en daar met een nogal onvoorspelbare pendelbus naar het terrein. Niet ideaal, maar uiteindelijk acceptabel – ik had minder pech dan andere mensen die op en neer reisden met deze bus.

Dag drie kon ik een lift krijgen van een vriend met een auto: we lachten allebei over het gemak waarmee we richting het konijnenhol reden: “volgend jaar kan dit iedere dag joh!” En toen werden we, op 200 meter van het terrein, rechtsaf gestuurd, terug de snelweg op en na een omleiding van zeker een kwartier – dat is een verdubbeling van de reistijd – bereiken we alsnog het parkeerterrein. Conclusie: je kunt beter blijven slapen op het terrein.

MAAR IS DAT WEL ZO? Want iedere ochtend hoorde ik horrorverhalen, ofwel van de afgelopen nacht, ofwel van eerdere festivals. Over loeiende generatoren, over lallende mensen, of gewoon over vieze Hollandse regen, die omdat het tentdoek net niet helemaal lekker strak staat, gewoon de tent inkomt. Maar verder is het genieten hoor, op zo’n festivalcamping. Lekker in de rij voor de douches of acrobatische toeren op een vieze wc-bril een grote boodschap verkondigen. Nee, toen ik ‘s morgens wakker werd in mijn eigen bed, uitgeslapen en wel, kon ik er weer vol tegenaan. Vergelijk dat met de meewarige, verslagen mensen die op de zondag al vertrokken omdat ze er genoeg van hadden… Dat gaat toch tegen het motto “we verkopen geen dagkaarten dus everybody is in for the whole ride” in…

Dus natuurlijk mag je mij uitlachen, uitschelden voor luxepoes of ‘geen echte’, maar als ik dan zo’n meerdaags festival moet doen, dan doe ik het op mijn eigen manier. Want natuurlijk hou ik wel van gezelligheid, maar niet van halfdronken idioten. Ik kom zo’n terrein op en denk de eerste tien minuten: ik draai weer om… Natuurlijk hou ik van ‘s avonds goede gesprekken voeren, maar niet in een doorweekte tent. Nee, deze jongen was er heel blij mee dat hij ‘s avonds naar huis kon en ‘s morgens weer fris op kon staan. Mijn festivalplezier wordt niet vergroot door een legging te kopen en aan te trekken omdat mijn andere kleren doorweekt zijn. Of door de derde dag heenworstelen omdat ik geen oog heb dichtgedaan.

Want daardoor heb ik dus in vrij optima forma gezien – in chronologische volgorde: Nick Mulvey (jeej), Bear’s Den, Bonobo (jeej), Sinkane (mijn ontdekking van het festival) Moderat (meh), Spinvis (jeej), Moss, Soulwax (had ik van kunnen genieten als ik niet helemaal achteraan naast een paar Wijchenaren had gestaan die over hun werk aan het kleppen waren – ik ga nu een experimenteel theaterstuk opzetten waarbij ik een headliner laat spelen en tegelijkertijd een groep mensen met luide stem er overheen laat kletsen), Fleet Foxes (niet echt een zaterdagavondband helaas), The Avalanches (haha), Spoon (duizend hartjes voor Spoon), Xavier Rudd (iets te veel clichés met zijn tuinbroek enzo, maar wel een gave didgeridoo), War Paint (matig geluid daar, net als bij veel andere acts trouwens) en Father John Misty (zo gaaf!). Het was vet, muzikaal was het mooi en het was gezellig. En als ik weg wilde, kon ik weg.

Ik heb dit weekend geleerd dat je festivals vooral op je eigen manier moet doen, want dat doet iedereen. En mijn manier is dus niet all-in de camping op met kutweer. Mijn manier is met enig comfort, een introvertveilige zone en vooral genieten van de muziek. Want dat heeft Down The Rabbit Hole dus wel gedaan: ik realiseerde me weer hoe tof ik bandjes, singer-songwriters en zelfs elektronische acts vind. En hoe weinig ik er eigenlijk ken.

Dus misschien doe ik in de toekomst nog wel eens een festivalweekend. En wellicht ook wel Down The Rabbit Hole. Maar dan doe ik het wel op mijn manier. En ik zeg niet dat die beter is, maar ik word er in ieder geval gelukkiger van. En ik geniet er niet minder om.

N.b. overigens heb ik dus op de organisatie van Down The Rabbit Hole niet veel aan te merken, behalve dat het festivalterrein dus duidelijk niet in Beuningen is én dat de pendelbus vanaf Nijmegen relaxter zou zijn geweest voor vrijwel iedereen, dat het geluid soms tegenviel en dat de omleidingsroute wel extreem was… Maar ja, verder dus wel props. 😉